In deze strafzaak tegen twee verdachten is een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechter-plaatsvervangers van de Rechtbank Rotterdam. De wraking was gebaseerd op vermeende vooringenomenheid van de rechters, onder andere vanwege het afwijzen van verzoeken om twee buitenlandse getuigen te horen en de duur van de voorlopige hechtenis van een verdachte.
De rechtbank heeft het wrakingsverzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de beslissingen van de rechters procesbeslissingen zijn die gemotiveerd en begrijpelijk zijn genomen. De afwijzing van het horen van de getuigen werd gerechtvaardigd door het belang van een redelijke termijn in de procedure en het feit dat de getuigen reeds verklaringen hadden afgelegd in Turkije zonder aanwezigheid van de verdediging.
Verder oordeelde de rechtbank dat het feit dat de voorlopige hechtenis van een verdachte langer duurde dan die van medeverdachten niet automatisch wijst op partijdigheid. Ook werd het wrakingsverzoek afgewezen omdat een tijdens de wrakingszitting ingebracht argument niet tijdig was aangevoerd.
De rechtbank concludeerde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid van de rechters en wees het wrakingsverzoek af. De beslissing werd op 28 mei 2014 door de meervoudige kamer uitgesproken.