Eiser vroeg kinderopvangtoeslag aan en kreeg in 2011 een voorschot toegekend voor 2012. Verweerder herzag dit voorschot in december 2012 naar nul vanwege het ontbreken van bewijsstukken en het feit dat de kinderen niet op het adres van eiser stonden ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA).
Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat verweerder hem niet tijdig een nadere termijn had gesteld om de gevraagde gegevens te overleggen, zoals vereist op grond van de Awir. Tevens stelde eiser dat het ouderschapsplan en de schriftelijke overeenkomst met de kinderopvanginstelling voldeden aan de voorwaarden voor toeslag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder tekort was geschoten in zijn verplichtingen door geen nadere termijn te stellen en dat eiser wel bewijsstukken had overgelegd. Echter, de kinderen stonden in 2012 niet op het adres van eiser ingeschreven en het ouderschapsplan was pas in 2014 getekend, zodat niet was komen vast te staan dat co-ouderschap in 2012 bestond. Ook was de eigen bijdrage door de moeder betaald, niet door eiser. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit wegens procedurele fouten, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.