Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het procesverloop
- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek;
- het dossier met zaaknummer C/10/441588 / FA RK 13/11220.
- verzoekster;
- mr. A. Harent;
- de rechter
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak verzocht een partij om wraking van de rechter die een wijzigingsverzoek tot voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure zou behandelen. De verzoekster stelde dat de rechter niet onpartijdig kon zijn omdat zij eerder de beschikking had gegeven waarin de voorlopige voorzieningen werden vastgesteld.
De rechtbank overwoog dat wraking alleen kan worden toegewezen als er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De enkele omstandigheid dat een rechter eerder bij een zaak betrokken was, is daarvoor onvoldoende. Bovendien moet de rechter zich op basis van nieuwe feiten en omstandigheden een nieuw oordeel kunnen vormen.
De rechtbank concludeerde dat de vrees voor partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd was, mede omdat artikel 824 lid 2 Rv Pro bepaalt dat voorlopige voorzieningen alleen kunnen worden gewijzigd bij gewijzigde omstandigheden of onjuiste gegevens. De rechter had geen onherroepelijk oordeel geveld dat haar onpartijdigheid zou kunnen aantasten.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen door een meervoudige kamer, waarbij drie rechters het vonnis ondertekenden.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens onvoldoende objectieve vrees voor partijdigheid.