Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
2.Het standpunt van betrokkene
.
Rechtbank Rotterdam
Betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het parkeren in strijd met een parkeerverbod op 6 november 2012 in Rotterdam. Na beroep en bezwaar werd de zaak behandeld door de kantonrechter. Betrokkene voerde aan dat hij de aanwijzing van de parkeerwachter had opgevolgd en dat de boete onterecht op kenteken was gesteld in plaats van op naam van de bestuurder. Ook werden procedurele tekortkomingen aangevoerd, zoals het late opmaken van het proces-verbaal, onvolledigheden daarin, en onduidelijkheid over de bekwaamheid van de verbalisant.
De officier van justitie handhaafde de boete, maar de kantonrechter oordeelde dat de beslissing onvoldoende was gemotiveerd en dat de inhoudelijke behandeling moest plaatsvinden. De kantonrechter ging niet mee in het betoog dat het proces-verbaal onvoldoende bewijs was, maar concludeerde dat er wel twijfel bestond over de staandehouding. De verbalisant kon geen staandehouding verrichten omdat betrokkene zou zijn weggereden, terwijl betrokkene verklaarde slechts te hebben gekeerd. Hierdoor was niet duidelijk dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.
De kantonrechter vernietigde daarom de beschikking en de initiële boete en bepaalde dat het betaalde bedrag van € 99,00 aan betrokkene moest worden gerestitueerd. Andere beroepsgronden behoefden geen bespreking meer. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: De beschikking en initiële boete worden vernietigd en het betaalde bedrag van € 99,00 wordt gerestitueerd.