Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van het geding
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
De vordering van [eiser]
5.De beslissing
3 september 2014 om 10.30 uur,
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil over de executie van een onroerend goed waarop een conservatoir leveringsbeslag rust, dat later overging in een executoriaal beslag, en waarop vervolgens een executoriaal verhaalsbeslag door een derde partij werd gelegd. [Eiser] had in 2005 conservatoir leveringsbeslag gelegd op het pand, maar AS&A c.s. legde in 2009 conservatoir beslag en verkreeg later een executoriale titel en het recht tot executieovername ex artikel 513 lid 2 Rv Pro.
Het geschil spitst zich toe op de vraag welke beslaglegger voorrang heeft en of AS&A c.s. het pand executoriaal mag verkopen ondanks het eerdere beslag van [eiser]. De rechtbank stelt vast dat het conservatoir leveringsbeslag van [eiser] in 2013 is omgezet in executoriaal beslag door een arrest van het hof, maar dat AS&A c.s. door de beschikking ex artikel 513 lid 2 Rv Pro de executie mogen overnemen.
De rechtbank oordeelt dat hoewel [eiser] de sterkste positie lijkt te hebben vanwege zijn eigendomsrecht, het pand niet onbezwaard geleverd kan worden vanwege het beslag van AS&A c.s. Daardoor zal [eiser] genoegen moeten nemen met een vordering tot schadevergoeding die hij samen met AS&A c.s. kan verhalen op de opbrengst van de openbare verkoop.
Verder is vastgesteld dat de betekening van de executieovername aan [eiseres] niet correct is verlopen, waardoor een comparitie van partijen is gelast om de consequenties te bespreken en te bezien of een minnelijke regeling mogelijk is. De beslissing is aangehouden tot na deze comparitie.
Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en gelast een comparitie van partijen om de gevolgen van het beslag en de executieovername te bespreken.