Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 27 november 2013
- het proces-verbaal van comparitie van 7 februari 2014.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.788,00(2,0 punten × tarief € 894,00)
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele zaak vordert eiser, die op het moment van ondertekening van de schuldbekentenis vijf jaar oud was, nakoming van een schuldbekentenis uit 1996 waarin zijn moeder een bedrag van 31.000 gulden aan hem zou hebben geleend. De schuldbekentenis bevatte een handtekening van de moeder, maar het stuk is geen authentieke notariële akte en mist dwingende bewijskracht.
De moeder betwist de authenticiteit van haar handtekening en stelt dat zij de schuld niet erkent. De rechtbank oordeelt dat eiser, die het rechtsgevolg van de schuld erkent, de bewijslast draagt en deze onvoldoende heeft onderbouwd. Hierdoor valt de grondslag van de vordering weg en wordt deze afgewezen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de schuldbekentenis geen verplichting tot samengestelde rente bevat en dat een beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden niet aan de orde hoeft te komen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende bewijs van de schuld en betwiste handtekening.