Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gevoegde partij sub 1],
[gevoegde partij sub 2],
[gevoegde partij sub 3],
[gevoegde partij sub 4],
[gevoegde partij sub 5],
[gevoegde partij sub 6],
1.De procedure
- het incidenteel vonnis van 10 april 2013, waarbij de thans gevoegde partijen is toegestaan zich te voegen aan de zijde van [gedaagde] en Vestia is bevolen een tweetal in dat vonnis genoemde stukken in afschrift aan [gevoegde partij sub 1] te verstrekken;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde];
- de conclusie van antwoord van [gevoegde partijen sub 2 tot en met 6];
- de conclusie van antwoord van [gevoegde partij sub 1];
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek van [gedaagde];
- de conclusie van dupliek van [gevoegde partijen sub 2 tot en met 6];
- de conclusie van dupliek van [gevoegde partij sub 1];
- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.
2.De feiten
Artikel 8
Artikel 8
Aanpassing reglement RvC
komen overeen:
- dat door [Vestia] aan [[gevoegde partij sub 1]] per 1-6-2004 de navolgende pensioenregeling is toegezegd, dit ter vervanging van de eerder gedane pensioentoezeggingen, waaraan derhalve geen rechten meer kunnen worden ontleend en
- dat deze pensioenregeling zal gelden in aanvulling op de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst. (…)
- Het op de pensioendatum voor aankoop van ouderdomspensioen aanwezige pensioenkapitaal;
- Het op de pensioendatum voor de aankoop van ouderdomspensioen geldende tarief (…).”
OVERWEGENDE DAT:
2.EENMALIGE UITKERING
3.OVERIGE AFSPRAKEN(…)
13. Arbeidsvoorwaarden Bestuur
3.Het geschil
- primair te verklaren voor recht dat het RvC-besluit van 30 november 2011 voor zover dat betreft instemming met of goedkeuring van de betaling aan [gevoegde partij sub 1] van het bedrag van (bruto) € 3.528.332,35 niet-bestaand (non-existent) is.
- subsidiair, nietig te verklaren, althans te vernietigen het voornoemde besluit op grond van het bepaalde in de artikelen 2:14 en 15 BW wegens strijd met de statuten en/of het reglement 2007 van Vestia, wegens strijd met het uitkeringsverbod voor stichtingen als bedoeld in artikel 2:285 BW Pro en/of wegens strijd met de wet en/of openbare orde als bedoeld in artikel 3:40 BW Pro;
4.De beoordeling
Inleiding, kern geschil en beoordelingskader
In Aanvulling II wordt door de kernraad en [gevoegde partij sub 1] vastgelegd dat Vestia en [gevoegde partij sub 1] bij de overeengekomen beschikbare premieregeling:
- i) niet de kernraad maar de raad van commissarissen bevoegd was een besluit te nemen over bijstorting van pensioen en nabetaling van salaris;
- ii) het door [gevoegde partijen sub 2 tot en met 6] op 30 januari 2012 genomen besluit dat Vestia is gehouden de terzake gemaakte afspraken na te komen is gebaseerd op een onjuiste voorstelling van zaken
- iii) voornoemde besluiten in strijd zijn met het (voor stichtingen geldende) uitkeringsverbod;
- iv) voornoemde besluiten in strijd zijn met de wet en de openbare orde
- dat het advies met die strekking van de ter vergadering aanwezige advocaten gebaseerd is op de onjuiste aanname dat (i) de kernraad bevoegd was de betreffende afspraken met [gevoegde partij sub 1] te maken en (ii) dat de uitkering niet in strijd was met het uitkeringsverbod;
- dat zowel de kernraad als de raad van commissarissen steeds een gebrek aan informatie hebben gehad althans een verkeerde voorstelling van zaken over de achtergrond van de aan Aanvulling II – en dus aan de Overeenkomst, de depotakte en het op 30 januari 2012 genomen besluit – ten grondslag liggende intentie dat [gevoegde partij sub 1] op zijn pensioendatum zou kunnen beschikken over een pensioenuitkering alsof sprake was van een eindloonregeling, ook al is feitelijk een beschikbare premieregeling overeengekomen.
1.808,00(4,0 punten × tarief € 452,00)