Op 28 april 2013 vond een geweldsincident plaats aan de Korte Kalkhaven te Dordrecht waarbij de verdachte betrokken was. De verdachte sloeg twee personen, waaronder het slachtoffer, met een tot vuist gebalde hand in het gezicht, waardoor het slachtoffer met zijn hoofd op straatstenen viel en lichamelijk letsel opliep.
De officier van justitie kwalificeerde het letsel als zwaar lichamelijk letsel, maar de rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende informatie bevatte over de aard en noodzaak van medisch ingrijpen en het herstelperspectief, waardoor het letsel niet als zwaar kon worden aangemerkt. De verdachte werd primair en subsidiair vrijgesproken van de tenlasteleggingen.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte het primair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde feit had begaan, maar dat hij een geslaagd beroep op noodweer had gedaan. De rechtbank vond dat de verdachte werd aangevallen en dat zijn verdediging noodzakelijk en proportioneel was. Hierdoor werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank motiveerde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar dit werd niet bestraft vanwege het noodweer. Het vonnis werd uitgesproken door drie rechters op 14 augustus 2014.