Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 12 februari 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 21 maart 2014.
2.De feiten
- schriftelijk bevestigen dat zij het rechtsgeldige bestaan van de Overeenkomst inzake aansluiting en transport van elektriciteit (“ATO”), de Verhuurovereenkomst Transformatoren (“Verhuurovereenkomst”) en de Vaststellingsovereenkomst (hierna gezamenlijk aangeduid als de “Overeenkomsten”) erkennen en niet langer betwisten en afstand doen van hun eerdere betwistingen;
- Du Pont en Desco schriftelijk bevestigen dat het in opdracht van Du Pont uitvoeren van de onderhoudswerkzaamheden aan de transformatoren door Stedin en de betaling daarvan door Du Pont niet betekent dat de transformatoren, inclusief bijbehoren, zoals het besturingspaneel, eigendom zouden zijn of worden van Du Pont (of Desco) en dat Du Pont en Desco het eigendom daarvan nooit zullen vorderen; en
- dat Du Pont meewerkt aan de vestiging van een recht van opstal, zoals overeengekomen in artikel 8.3 Verhuurovereenkomst, welk recht van opstal zou moeten worden gevestigd doordat de onderhoudswerkzaamheden aan het besturingspaneel in uitvoering worden genomen.
3.De vordering in conventie
4.Het verweer in conventie
5.De vordering in reconventie
6.Het verweer in reconventie
7.De beoordeling
“De reden dat Stedin ondertekening van de Overeenkomsten blijft eisen, heeft niets te maken met de vraag of tussen partijen een rechtsgeldige overeenkomst is aangegaan. De handtekening van Du Pont is voor die rechtsgeldigheid niet een vereiste.”
“Er is ook niet bepaald dat ondertekening een voorwaarde zou zijn voor de inwerkingtreding van de Overeenkomsten.”
€ 1.788(2 punten (cva + cna) x tarief IV a € 894)
8.De beslissing
[2294; 1729; 2457]