ECLI:NL:RBROT:2014:7564

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 augustus 2014
Publicatiedatum
11 september 2014
Zaaknummer
AWB-14_00390
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 2:4 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beperking kennisneming vertrouwelijke tipgeversinformatie door AFM

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) waarbij AFM de kennisneming van bepaalde stukken heeft beperkt op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het geschil betreft de vraag of de rechtbank de beperking van kennisneming van stukken die informatie bevatten over een tipgever, die vertrouwelijk wil blijven, moet toestaan.

AFM stelde dat het belang van geheimhouding van de identiteit van de tipgever prevaleert boven het belang van eiser om kennis te nemen van deze informatie. De tipgever heeft geen getuigenis afgelegd die als bewijs is gebruikt tegen eiser. De rechtbank heeft overwogen dat het fundamentele beginsel van behoorlijke rechtspleging vereist dat de rechter zich baseert op gegevens waarvan partijen de juistheid kunnen nagaan, maar dat dit belang moet worden afgewogen tegen het belang van bescherming van vertrouwelijke informatie.

De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat er voldoende gewichtige redenen zijn om de beperking van kennisneming te rechtvaardigen. Het belang van AFM bij geheimhouding is groot vanwege het risico dat zonder bescherming de signalentoevoer aan AFM zal afnemen, wat haar toezichtfunctie schaadt. De rechtbank achtte het belang van AFM zwaarder dan het belang van eiser, mede omdat de tipgever niet als getuige in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt aangemerkt.

De beslissing van de rechter-commissaris is dat de beperking van kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. Tegen deze beslissing kan alleen hoger beroep worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de beperking van kennisneming van vertrouwelijke stukken door AFM gerechtvaardigd is.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 14/390
beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 8 augustus 2014 in de zaak tussen

[a], eiser,

gemachtigde: mr. A.D. van Koningsveld,
en

de stichting Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM),

gemachtigde: mr. A.A. van Angeren.

Aanleiding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 december 2013.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden.
AFM heeft onder meer de volgende op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden:
- een informatieverzoek van de AFM aan ING Financial and Equity Markets, Compliance van 16 januari 2012, waarin in de tweede alinea van pagina 1 een tekst is opgenomen met betrekking tot informatie die de AFM van een tipgever (de tipgever) heeft ontvangen;
- een e-mail van 30 januari 2012 met een reactie van de AFM aan de tipgever;
- een e-mail van 1 februari 2012 met het antwoord van de tipgever.
Verweerder heeft ten aanzien van deze stukken op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank medegedeeld dat uitsluitend zij daarvan kennis zal mogen nemen en verzocht met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is (het verzoek).
Bij brief van 23 mei 2014 heeft de rechtbank AFM verzocht het verzoek nader te beargumenteren in het licht van de beslissing van het College van Beroep voor het bedrijfsleven(het CBb) van 25 april 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:162).
Bij brief van 16 juni 2014 heeft AFM dat gedaan.
De rechtbank heeft het gewenst geacht om aan een rechter-commissaris op te dragen een beslissing te nemen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb.

Beoordeling

1.
Het is een fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging dat de rechter zich bij zijn oordeel alleen mag baseren op die gegevens van feitelijke aard waarvan alle partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ter discussie hebben kunnen stellen. Indien de rechter-commissaris ten aanzien van bepaalde (onderdelen van) stukken de door verweerder bepleite beperking van de kennisneming op grond van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb gerechtvaardigd acht, kan de rechtbank op grond van het vijfde lid van dit artikel daarom slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die (onderdelen van de) stukken uitspraak doen.
2.
De door de rechter-commissaris te nemen beslissing inzake beperking van de kennisneming vergt een afweging van belangen. Enerzijds zijn daarbij aan de orde het belang dat partijen over en weer gelijkelijk beschikken over de voor de beslechting van het geschil relevante informatie, alsmede het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt hierbij dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een of meer partijen onevenredig kan schaden, waarbij ook is betrokken het belang van het bestuursorgaan, in dit geval AFM, om vertrouwelijke gegevens aangeleverd te krijgen.
3.
AFM heeft bij de brief van 16 juni 2014 aangegeven dat zij er in het kader van haar taak als toezichthouder op grond van de Wft groot belang bij heeft dat de identiteit van de tipgever en informatie waaruit die identiteit is af te leiden, geheim blijft. Indien er geen geheimhouding wordt betracht, zal dit naar alle waarschijnlijkheid een negatieve uitwerking hebben op de signalentoevoer, terwijl zij voor een groot deel afhankelijk is van die signalen bij haar risicogeoriënteerde toezicht. Daarbij vindt AFM dat eiser niet in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad door toewijzing van het verzoek, omdat de inhoud van de melding niet ten grondslag ligt aan het oordeel van AFM en ook niet als bewijs van de overtreding geldt.
4.
De rechter-commissaris heeft kennis genomen van de stukken en is van oordeel dat er voldoende gewichtige redenen zijn om de beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, derde lid van de Awb gerechtvaardigd te achten. Het belang van AFM bij de vertrouwelijkheid van meldingen als deze dient te prevaleren boven het belang van eiser. Daarvoor acht de rechtbank in dit geval doorslaggevend dat de tipgever geen getuigenis heeft afgelegd die de AFM heeft gebezigd voor het bewijs van de aan eiser verweten overtreding. Anders dan kennelijk in de vermelde beslissing van het CBb, waarin wordt gerefereerd aan het Kostovski-arrest (EHRM 20 november 1989, zaak nr. 11454/85), het geval was, is de tipgever, dan ook niet als getuige in de zin van artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden aan te merken. Verder ziet de rechter-commissaris, gelet op het door AFM beargumenteerde belang, niet in dat, zoals eiser meent, AFM in strijd handelt met het in artikel 2:4 van Pro de Awb neergelegde verbod van vooringenomenheid door de identiteit van de tipgever niet prijs te geven.

Beslissing

De rechter-commissaris beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is.
Deze beslissing is gedaan door mr. D. Haan, rechter-commissaris.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kan slechts tegelijkertijd met het eventuele hoger beroep tegen de einduitspraak van de rechtbank hoger beroep worden ingesteld.