Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[a]gevestigd te [b], verzoekster,
Rechtbank Rotterdam
De Rechtbank Rotterdam behandelde op 1 oktober 2014 het verzoek om voorlopige voorziening van een besloten vennootschap tegen een last onder dwangsom opgelegd door De Nederlandsche Bank (DNB).
DNB had de last opgelegd wegens overtreding van artikel 5:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de vennootschap weigerde gevraagde inlichtingen te verstrekken in een onderzoek naar het zonder vergunning uitoefenen van betaaldienstverlening, in strijd met artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht (Wft). De vennootschap beriep zich op het zwijgrecht uit artikel 6 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vennootschap op grond van de Awb en Wft verplicht is medewerking te verlenen en dat het beroep op het zwijgrecht niet opgaat omdat het hier gaat om een informatieverplichting die ook kan worden gebruikt voor toezicht en sancties. De dwangsom werd niet als disproportioneel beoordeeld.
De rechtbank wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verlengde de begunstigingstermijn niet verder. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom van DNB wordt afgewezen.