ECLI:NL:RBROT:2014:8038
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onvoldoende gronden
De rechtbank Rotterdam behandelde op 2 oktober 2014 een vordering van het Openbaar Ministerie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde die meerdere gevangenisstraffen ondergaat. Het OM baseerde de vordering op vermeende niet-naleving van voorwaarden en een hoog recidiverisico.
De verdediging stelde dat het OM misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir) pleegde door druk uit te oefenen op reclasseringsmedewerkers om bijzondere voorwaarden te formuleren, terwijl deze aanvankelijk niet geadviseerd waren. De rechtbank onderzocht deze beweringen en concludeerde dat hoewel het OM dwingende verzoeken deed, dit niet leidde tot ontoelaatbaar misbruik dat de ontvankelijkheid van het OM zou schaden.
De rechtbank oordeelde dat de gevangenisstraffen van zes maanden en acht jaar niet relevant waren voor de berekening van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De vordering van het OM was slechts ontvankelijk voor de vijfjarige straf opgelegd in 2011. De inhoudelijke beoordeling toonde aan dat de adviezen van de reclassering en de penitentiaire inrichting geen bijzondere voorwaarden voor de invrijheidstelling noodzakelijk achtten.
De rechtbank vond dat het OM onvoldoende onderbouwing gaf voor het hoge recidiverisico en dat de weigering van de veroordeelde om mee te werken aan een aanvullend rapport geen weigering tot naleving van voorwaarden betekende. Daarom wees de rechtbank de vordering tot uitstel af en bepaalde de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling op 11 september 2014.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling af en bepaalt de invrijheidstelling op 11 september 2014.