Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[gedaagde1],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 19 maart 2014 en de daarin genoemde stukken;
- het proces-verbaal van comparitie van 2 juni 2014 en de daarin genoemde stukken.
2.De feiten
Geachte collega,
Medio mei 2006 ben ik benaderd door mw. mr. [eiser] met de mededeling dat zij kort daarvoor een ernstige waarschuwing van de toenmalige Deken had ontvangen in verband met de diverse klachten die over haar zijn ingediend. Zij was in paniek en had zeer dringend behoefte aan hulp en begeleiding bij het leren omgaan met haar cliënten, in het bijzonder indien betalingsachterstand was ontstaan.
3.De vordering
4.Het verweer
5.De beoordeling
Gaarne verneem ik van u of - gelet op het voorgaande - de onderhavige ambtshalve klacht inderdaad op 12 april aanstaande door u moet worden behandeld of dat een verdere aanhouding wenselijk is. Ik zal daarbij dan aanwezig zijn.”
het zogenaamde ‘advies’ van terugtrekken in de wind heeft geslagen” en dat haar advocaat “
ondergronds” is blijven doorwerken voor [eiser].