Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- [naam], verzoekster;
- [naam], werkzaam bij de Krediet Bank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening);
- Mr. P.A.L. Nieuwenhuis, bedrijfsadvocaat werkzaam bij het UWV.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om het UWV te dwingen in te stemmen met een schuldregeling die door dertien van veertien schuldeisers werd geaccepteerd, maar door het UWV werd geweigerd vanwege een fraudevordering van € 3.390,11.
Het UWV beriep zich op het wettelijke verbod om in te stemmen met schuldregelingen betreffende fraudevorderingen en voerde aan dat het maatschappelijk belang zwaarder weegt dan de belangen van verzoekster en andere schuldeisers. Verzoekster had sinds het ontstaan van de vordering haar financiële situatie op orde en had geen nieuwe schulden gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat het belang van het UWV niet zwaarder weegt dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers, mede omdat de fraudevordering slechts een klein deel van de totale schuldenlast uitmaakt en de schuldregeling financieel gunstiger is dan de wettelijke schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wees het verzoek toe, beval het UWV tot instemming met de schuldregeling en veroordeelde het UWV in de proceskosten. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het UWV wordt bevolen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling ondanks de fraudevordering.