ECLI:NL:RBROT:2014:8449

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 september 2014
Publicatiedatum
15 oktober 2014
Zaaknummer
C/10/454595 / FT EA 14/1652 en C/10/454596 / FT EA 14/1653
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 FaillissementswetArt. 3:300 lid 3 BWArt. 6:267 BWArt. 236 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens voortzetting betalingen en gebrek aan schuldsaneringsgezindheid

Verzoekers, gehuwd in gemeenschap van goederen met twee minderjarige kinderen en een WWB-uitkering als inkomen, vroegen de rechtbank om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hun schulden bedroegen ruim €40.000. Eerder was een dwangakkoord tussen schuldenaren en schuldeisers vastgesteld, dat niet schriftelijk ontbonden was.

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van het stoppen met betalen zoals vereist voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. Nieuwe achterstanden werden niet aangemerkt als wanprestatie die tot ontbinding van het dwangakkoord leidde. Daarnaast bleek uit de zitting dat verzoekers niet solliciteerden, wat wijst op gebrek aan schuldsaneringsgezindheid.

Ook stond er een substantiële boete open bij het CJIB wegens een verkeersovertreding, een schuld die niet te goeder trouw was ontstaan. Gezien deze omstandigheden wees de rechtbank het verzoek tot schuldsanering af.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens voortzetting betalingen en gebrek aan schuldsaneringsgezindheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
nummer verklaring: [nummer]
uitspraakdatum: 11 september 2014
[naam],
en
[naam],
[adres]
[woonplaats],
verzoekers.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 30 juni 2014 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekers zijn gehoord ter terechtzitting van 4 september 2014. De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

Verzoekers zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben de zorg voor twee minderjarige kinderen. Het inkomen van verzoekers bestaat uit een WWB uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring op grond van artikel 285 van Pro de Faillissementswet: € 40.102,60.

3.De beoordeling

De rechtbank heeft bij uitspraak van 31 januari 2014 ([nummer] en [nummer]) op verzoek van schuldenaren bevolen dat hun schuldeisers instemmen met de schuldregeling uit het minnelijk traject (het dwangakkoord). Op grond van artikel 3:300 lid 3 BW Pro komt de uitspraak van de rechtbank in de plaats van de vrijwillige instemming van de schuldeisers met deze schuldregeling. Er is alsdan sprake van een contractuele relatie tussen de schuldenaren en de schuldeisers. De schuldregeling blijft in stand, ook al worden nieuwe schuldeisers bekend (art. 236 Rv Pro en HR 27 januari 1989, NJ 1989/588).
In het geval er sprake is van wanprestatie, bijvoorbeeld omdat de nieuwe schuldeiser de nakoming van de schuldregeling belemmert, dan staat het de schuldeisers vrij ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie in te roepen. Ontbinding kan geschieden door middel van een schriftelijke verklaring (art. 6:267 BW Pro).
In de verklaring op grond van artikel 285 van Pro de Faillissementswet overgelegd bij het verzoekschrift, wordt opgemerkt dat het akkoord is ingetrokken door nieuwe achterstand in de lopende betalingen. Het eerdere aanbod is op 11 april 2014 ‘herzien’. Of sprake is van een schriftelijke ‘ontbindings-verklaring’ als eerder bedoeld, blijkt niet uit het dossier. Schuldenaren hebben ter zitting verklaard dat zij niet bekend zijn met een dergelijke verklaring. De rechtbank ziet los daarvan, ook niet in op grond waarvan het laten ontstaan van nieuwe achterstanden in de lopende betalingsverplichtingen aangemerkt kan worden als wanprestatie ten aanzien van de schuldregeling.
Dit brengt mee dat de rechtbank van oordeel is dat schuldenaren zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden (zoals vastgesteld bij uitspraak van 31 januari 2014) en dat er geen situatie is van hebben opgehouden te betalen als bedoeld in artikel 284 eerste Pro lid van de Faillissementswet. Het verzoekschrift tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet daarom worden afgewezen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende.
Ter zitting is gebleken dat schuldenaren niet solliciteren, ondanks dat in de oproepbrief voor de zitting van 4 september 2014 op die verplichting wel nadrukkelijk is gewezen. Deze houding wijst niet op een reële schuldsaneringsgezindheid; te vrezen valt dat schuldenaren ook in het traject van de wettelijke schuldsaneringsregeling zich niet voldoende van hun arbeids- en sollicitatieplicht zullen kwijten.
Daarnaast staat er blijkens opgave van het CJIB een boete open van €996,- ter zake van het niet verzekerd zijn van een brommer, die op naam van [naam] staat, zo heeft verzoekster ter zitting verklaard. Het betreft hier een substantiële geldboete ter zake van een verkeersovertreding als bedoeld in artikel 5.4.4 van Bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan.
Deze schuld, en het niet getuigen van schuldsaneringsgezindheid, zouden aan het toelaten tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan, in het geval wel sprake is van een situatie van hebben opgehouden te betalen zoals hiervoor bedoeld.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt daarom afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, rechter, en in aanwezigheid van mr. N. Roos, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 september 2014 . [1]