ECLI:NL:RBROT:2014:8503

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 oktober 2014
Publicatiedatum
17 oktober 2014
Zaaknummer
ROT 14-6121 en ROT 14-6120
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:11b APV Rotterdam 2012Art. 2.18 WaboBoek 5, Art. 42 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen kapvergunning voor bomen in Rotterdam Bloemhof

De Stichting De Bomenridders heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van tien bomen in de wijk Bloemhof. Het primaire besluit was genomen op 20 januari 2014 en het bezwaar daarop werd op 28 juli 2014 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter behandelde zowel het verzoek om voorlopige voorziening als de hoofdzaak op 17 oktober 2014.

De vergunning betrof het kappen van diverse boomsoorten op particuliere terreinen behorende tot woningen van Stichting Woonstad Rotterdam. De rechtbank oordeelde dat de bijzondere waarden genoemd in artikel 4:11b van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012, zoals natuur-, milieu-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, niet waren aangetoond door eiseres. De stellingen dat elke boom telt of beeldbepalend is, werden niet als voldoende onderbouwing beschouwd.

Verder werd vastgesteld dat de vergunningverlening rechtmatig was, mede omdat het college de aanvraag zorgvuldig had beoordeeld en een deskundige inspectie had plaatsgevonden. Er was geen sprake van schending van procesregels of onjuiste bekendmaking. De voorzieningenrechter concludeerde dat geen spoedeisend belang bestond om de voorlopige voorziening toe te wijzen en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de kapvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3
zaaknummer(s): ROT 14/6121
ROT 14/6120 (hoofdzaak)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak in de zaak tussen

Stichting De Bomenridders, gevestigd te Rotterdam, verzoekster, tevens eiseres

(hierna: eiseres),
gemachtigden: mr. J.J. van Oostendorp en drs. I.A.J. van Overbeek,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. E. van Lunteren en R.R. van Meenen.
Aan het geding heeft tevens deelgenomen: vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Algemene Project Service B.V. (APS) gevestigd te Diemen namens Stichting Woonstad Rotterdam (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning onder herplantplicht verleend voor het kappen van 10 bomen (kapvergunning).
Bij besluit van 28 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2014. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.A.M. Jaspers, gemachtigde. Namens APS waren [medewerker] en [medewerker] aanwezig.

Overwegingen

1. Op 28 november 2013 heeft APS namens Stichting Woonstad Rotterdam een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van bomen op de locaties:
Lindtstraat 19: 1 wilg, 2e Balsemienstaat 22: 1 beuk en 1 wilg, Rozemarijnstraat 85: 1 conifeer, Oosterdamstraat 3: 1 acacia, Develweg 16: 1 linde, Lange Hilleweg 153: 1 kastanje, Dordtsmondstraat 27: 1 blauwe ceder en Oost Pietermanstraat/plantsoen: 2 wilgen.
Het gaat om bomen in de tuinen en op een binnenterrein behorende bij woningen in de wijk Bloemhof, eigendom van vergunninghoudster.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overname van het advies van de Algemene Bezwaarschriften Commissie van 22 mei 2014, het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening, omdat vergunninghoudster het voornemen heeft in de tweede helft van de maand oktober 2014 gebruik te maken van de kapvergunning. In het licht van de beroepsgronden oordeelt de voorzieningenrechter verder als volgt.
4.1.
Voor het kappen van bomen is op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (de APV) een vergunning nodig. Artikel 4:11b houdt – voor zover hier van belang – in:
"1. Het bevoegd gezag verleent de vergunning, indien deze wordt gevraagd teneinde te voldoen:
a. aan de verplichting ingevolge het bepaalde in Boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek;
b. aan de wettelijke zorgplicht van de aanvrager;
c. aan de op grond van de artikelen 37 en 38 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) vastgestelde en voor Nederland geldende eisen.
2. Het bevoegd gezag betrekt bij zijn besluit de toepasselijke gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.
3. Het bevoegd gezag kan bij zijn besluit tevens de overeenkomstig artikel 4:11i vastgestelde waarde van de betrokken boom of bomen betrekken.
4. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorwaarden verlenen in het belang van:
a. natuur- en milieuwaarden;
b. landschappelijke waarden;
c. cultuurhistorische waarden;
d. waarden van stads- en dorpsschoon;
e. waarden voor recreatie en leefbaarheid.
5. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. De voorschriften kunnen inhouden dat binnen een daarbij aangegeven termijn en overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen vervangende beplanting moet worden aangebracht. (…)
(…)."
4.2.
Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder vastgesteld dat de bijzondere waarden benoemd onder a. tot en met e. van het vierde lid zich niet voldoen. Nu eiseres niet heeft aangevoerd dat er bijzondere waarden in het geding zijn, anders dan met de stelling dat “elke boom telt” en/of "beeldbepalend" is, zal de voorzieningenrechter uitgaan van de juistheid van verweerders beoordeling ter zake. Er doet zich dus geen weigeringsgrond voor, zodat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid een kapvergunning te verlenen.
4.3.
De voorzieningenrechter merkt daarbij nog op dat, zoals ter zitting is besproken, overlast van de bomen voor (de huurders van) vergunninghoudster mogelijk een argument is, maar dat het overlast-argument geen rol heeft gespeeld bij het verlenen van de vergunning. Het gaat er om dat er geen sprake is van een bijzondere waarde die een weigeringsgrond zou kunnen vormen. Ingevolge artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan de omgevingsvergunning alleen worden geweigerd (of verleend; zie hierna onder 4.4) op de in de verordening aangegeven gronden.
4.4.
Overigens leidt de voorzieningenrechter uit de samenhang van de verschillende onderdelen van artikel 4:11b van de APV af dat ook ingeval zich geen imperatieve grond voor vergunningverlening voordoet (in de zin van het eerste lid van dat artikel), sprake is van een bevoegdheid tot verlening van een vergunning, ondanks dat de grond daarvoor niet is geëxpliciteerd in artikel 4:11b van de APV. De opsomming van weigeringsgronden in het vierde lid (in samenhang met het zevende lid) is echter, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, limitatief.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit duidelijkheid verstrekt ten aanzien van het juiste aantal te kappen bomen. Verder heeft er een beoordeling van de aanvraag plaatsgevonden door inspectie van alle bomen door een deskundige van de gemeente Rotterdam. Dit laatste blijkt uit het (uitgebreide) advies van de bezwaarcommissie. De desbetreffende onderliggende beoordelingen van de bomen zijn op de zitting aan eiseres overhandigd. Door deze late indiening is eiseres niet zodanig in haar processuele belangen geschaad dat dit consequenties zou moeten hebben. Deze stukken hebben geen betrekking op aspecten die vorenbedoelde bijzondere waarden bepalen. Overigens heeft eiseres al eerder een op onderdelen iets afwijkende versie van deze stukken in handen gekregen, maar zij heeft niet concreet geprobeerd hieruit bijzondere waarden af te leiden.
6. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat het bestreden besluit niet, dan wel op onjuiste wijze, is bekendgemaakt. Overigens valt niet in te zien op welke wijze eiseres in haar belangen zou zijn geschaad op dit onderdeel.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter,
  • verklaart het beroep ongegrond,
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.