Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. C.H. Kemp-Randewijk, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht. Het verzoek betrof beslissingen van de rechter in een bewindsprocedure over de goederen en belangen van een beschermde persoon. De wraking werd gebaseerd op beschikkingen van 15 april 2014 en een brief van 3 juli 2014, die respectievelijk op 15 april en 4 juli 2014 aan verzoekster bekend waren geworden.
De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, aangezien het pas op 21 juli 2014 werd ingediend, terwijl de feiten en omstandigheden waarop het verzoek was gebaseerd al eerder bekend waren. Volgens vaste jurisprudentie dient een wrakingsverzoek onmiddellijk na het bekend worden van de gronden te worden ingediend, met slechts een korte beraadtermijn. De termijn van 99 dagen na 15 april en 18 dagen na 4 juli werd als ruimschoots overschreden beschouwd.
Daarnaast merkte de rechtbank op dat de aangevoerde grieven tegen de beslissingen van 15 april 2014 primair aan de orde behoren te komen in het hoger beroep dat verzoekster tegen die beschikking heeft ingesteld. De wet biedt geen grond voor wraking van de rechter nadat de beslissingen zijn gegeven. Daarom werd verzoekster ook om die reden niet-ontvankelijk verklaard.
De wrakingskamer heeft de stukken bestudeerd, verzoekster gehoord en de rechter in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken door mr. Van Lokven-van der Meer op 13 augustus 2014.