ECLI:NL:RBROT:2014:8763

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 augustus 2014
Publicatiedatum
28 oktober 2014
Zaaknummer
456100 / HA RK 14-616
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter afgewezen wegens niet-tijdigheid

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. C.H. Kemp-Randewijk, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht. Het verzoek betrof beslissingen van de rechter in een bewindsprocedure over de goederen en belangen van een beschermde persoon. De wraking werd gebaseerd op beschikkingen van 15 april 2014 en een brief van 3 juli 2014, die respectievelijk op 15 april en 4 juli 2014 aan verzoekster bekend waren geworden.

De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, aangezien het pas op 21 juli 2014 werd ingediend, terwijl de feiten en omstandigheden waarop het verzoek was gebaseerd al eerder bekend waren. Volgens vaste jurisprudentie dient een wrakingsverzoek onmiddellijk na het bekend worden van de gronden te worden ingediend, met slechts een korte beraadtermijn. De termijn van 99 dagen na 15 april en 18 dagen na 4 juli werd als ruimschoots overschreden beschouwd.

Daarnaast merkte de rechtbank op dat de aangevoerde grieven tegen de beslissingen van 15 april 2014 primair aan de orde behoren te komen in het hoger beroep dat verzoekster tegen die beschikking heeft ingesteld. De wet biedt geen grond voor wraking van de rechter nadat de beslissingen zijn gegeven. Daarom werd verzoekster ook om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

De wrakingskamer heeft de stukken bestudeerd, verzoekster gehoord en de rechter in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken door mr. Van Lokven-van der Meer op 13 augustus 2014.

Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek wegens overschrijding van de termijn voor indiening.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer / rekestnummer: 456100 / HA RK 14-616
Beslissing van 13 augustus 2014
op het verzoek van
[naam verzoekster],
wonende te [adres],
verzoekster,
advocaat mr. L. Houkes,
strekkende tot wraking van:
mr. C.H. Kemp-Randewijk, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team kanton 1 (hierna: de rechter).

1.Het procesverloop en de processtukken

Bij beschikkingen van de kantonrechter van 28 april 1998 is een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [naam rechthebbende] (hierna: [naam rechthebbende]) en is een mentorschap ingesteld over alle niet-vermogensrechtelijke belangen van [naam rechthebbende].
Sinds maart 2013 is het betreffende dossier, dat als kenmerk heeft BM 3289, in behandeling bij de rechter.
Bij beschikking van 2 april 2014 heeft de rechter het verzoek van verzoekster tot ontslag van de bewindvoerder afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoekster hoger beroep ingesteld.
Bij beschikkingen van 15 april 2014 heeft de rechter de bewindvoerder toegestaan om:
  • ter zake van de samenleving van [naam rechthebbende] met verzoekster een gerechtelijke procedure te starten;
  • de persoonlijke goederen van [naam rechthebbende], nog aanwezig in de woning van verzoekster, te verplaatsen naar het verpleeghuis waar [naam rechthebbende] verblijft;
  • ten behoeve van [naam rechthebbende] belastingaangifte te doen over het jaar 2013;
  • de hypotheekrente ter zake van de woning aan de [adres] niet aan verzoekster te betalen;
  • het postadres van [naam rechthebbende] te wijzigen in het adres alwaar [naam rechthebbende] in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven, zijnde het verpleeghuis;
  • de door Nationale Nederlanden sedert maart 2012 uitgekeerde en nog uit te keren bedragen volledig ten gunste van [naam rechthebbende] te doen laten komen, alsmede om bij Nationale Nederlanden het polisblad van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [naam rechthebbende] op te vragen;
  • ter zake van de gemeentelijke belastingen voor [naam rechthebbende] de helft aan verzoekster te betalen, voor zover die belastingen zijn verbonden aan zijn hoedanigheid van mede-eigenaar van de woning,
telkens onder verlening van een machtiging daartoe aan de bewindvoerder.
Bij e-mailbericht van 22 juli 2014 en bij brief van 21 juli 2014 heeft verzoekster de rechter gewraakt.
De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:
  • voormeld dossier met kenmerk BM 3289, waarin zich onder meer bevinden voormelde beschikkingen van 2 april 2014 en 15 april 2014;
  • de schriftelijke aanvulling op het wrakingsverzoek, gedateerd 2 augustus 2014.
Verzoekster, de rechter, de bewindvoerster Beschermingsbewindkantoor Nederland, alsmede de mentor [naam mentor] zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.
De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 22 juli 2014.
Ter zitting van 8 augustus 2014, waar het wrakingsverzoek is behandeld, is verzoekster verschenen. De rechter is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van haar beschikkingen van 8 juli 2013, 24 oktober 2013, 13 januari 2014 en 6 maart 2014, houdende beslissingen ten aanzien van eerdere verzoeken van verzoekster tot wraking van de rechter in de onderhavige bewindsprocedure.

2.De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.
In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden – zoals artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist.
2.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende:
Verzoekster heeft aan haar verzoek tot wraking ten grondslag gelegd haar grieven ten aanzien van de beslissingen van de rechter, zoals gegeven in de zeven voornoemde beschikkingen van 15 april 2014. In haar wrakingsverzoek heeft verzoekster gesteld dat zij die beschikkingen op 15 april 2014 heeft ontvangen.
Voorts heeft verzoekster haar wrakingsverzoek gebaseerd op de inhoud van de brief van de rechter aan de bewindvoerder van 3 juli 2014. In haar wrakingsverzoek heeft verzoekster gesteld dat zij de bewuste brief op 4 juli 2014 per e-mailbericht van de bewindvoerder toegezonden heeft gekregen.
Dat er – zoals verzoekster heeft gesteld – inmiddels door de rechter bij beschikking aan de bewindvoerder nog een achtste machtiging zou zijn verleend heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen, zodat het verzoek in dat opzicht feitelijke grondslag mist.
2.3
Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wraking dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke gronden tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte gedragingen van de rechter hebben zich immers voorgedaan op 15 april 2014 en 3 juli 2014 en zijn op 15 april 2014 respectievelijk 4 juli 2014 ter kennis gekomen van verzoekster, terwijl het verzoek tot wraking eerst is ingediend op 22 juli 2014.
2.4
Van verzoekster had mogen worden verwacht dat zij het verzoek tot wraking uiterlijk binnen enkele dagen na 15 april 2014 respectievelijk 4 juli 2014 zou doen. Het indienen van het verzoek na 99 dagen respectievelijk 18 dagen kan niet worden aangemerkt als “zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden”.
2.5
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoekster niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het wrakingsverzoek.
2.6
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de door verzoekster aangevoerde grieven tegen de beslissingen van 15 april 2014 en de wijze waarop die tot stand zijn gekomen eerst en vooral aan de orde dienen te komen in het door verzoekster inmiddels tegen één van die beschikkingen ingestelde hoger beroep. Voor wraking van de rechter nadat de beslissingen door haar zijn gegeven biedt de wet geen steun, zodat verzoekster ook in dat opzicht niet-ontvankelijk is in haar wrakingsverzoek.

3.De beslissing

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. C.H. Kemp-Randewijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, mr. M.G.L. de Vette en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste rechter is deze beslissing door mr. Van Lokven-van der Meer uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2014 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier en door hen ondertekend.
Verzonden op:
aan:
- verzoekster
- mr. C.H. Kemp-Randewijk
- mr. L. Houkes
- [naam bewindvoerder]
- [naam mentor]