In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die zijn strafzaak behandelen, omdat in het vonnis van een medeverdachte zijn naam expliciet werd genoemd als mededader bij een gijzeling. Dit gebeurde in een nadere bewijsoverweging, terwijl de strafzaak tegen verzoeker nog niet was behandeld.
Verzoeker stelde dat deze vermelding onnodig was en dat dit een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij de rechters opleverde. De rechters verwezen naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad, waarin wordt toegestaan dat in complexe zaken met meerdere verdachten verwijzingen naar nog te berechten personen kunnen voorkomen, mits dit noodzakelijk is voor de schuldvaststelling van de berechte verdachte en de onschuldpresumptie wordt gerespecteerd.
De wrakingskamer oordeelde echter dat in deze zaak het noemen van verzoekers naam niet noodzakelijk was voor de schuldvaststelling van de medeverdachte en dat de zinsnede onvoldoende was om de vrees vooringenomenheid weg te nemen. Daarom werd het wrakingsverzoek toegewezen. De beslissing werd genomen door de wrakingskamer bestaande uit drie rechters, uitgesproken op 8 oktober 2014.