Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2014:9021

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2014
Publicatiedatum
5 november 2014
Zaaknummer
C/10/459702 / FT EA 14/2265
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moratorium wegens niet opgestart minnelijk traject

Verzoeker heeft op 16 september 2014 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster zou verbieden een ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 24 oktober 2014, waarbij verweerster niet aanwezig was maar zich neerlegde bij het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie omdat een ontruimingsvonnis en exploot waren overgelegd waarin ontruiming werd aangekondigd. De wetgever beoogt met het moratorium een schuldenaar een adempauze te bieden om met schuldeisers een regeling te treffen. Echter is het minnelijk traject nog niet opgestart omdat verzoeker eerst een nihilstelling van alimentatie moet verkrijgen.

Omdat verzoeker nog geen minnelijk traject is gestart en niet binnen afzienbare tijd een regeling kan aanbieden, is er geen situatie waarvoor het moratorium is bedoeld. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Verzoek moratorium afgewezen en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in verzoek tot schuldsanering.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie
moratorium
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 31 oktober 2014
[naam],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 16 september 2014, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw) een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 16 september 2014 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 24 oktober 2014 .
Ter zitting van 24 oktober 2014 zijn verschenen en gehoord:
  • de heer [naam], verzoeker;
  • mevrouw J. van Tilborg, werkzaam bij de gemeente Capelle aan den IJssel (hierna: SHV);
  • de heer P.A. van Drenth van Kertekers, beschermingsbewindvoerder van verzoeker.
Mevrouw P.P. Berghuis-Schuurkamp, werkzaam bij Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders, heeft namens stichting Stichting Woonzorg Nederland, gevestigd te Amstelveen, (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een faxbericht toegezonden. In het faxbericht wordt aangegeven dat verweerster om haar moverende redenen niet ter terechtzitting aanwezig zal zijn en zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2014 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Ter terechtzitting heeft SHV verklaard dat zij het minnelijk traject nog niet kunnen starten omdat thans maandelijks nog nieuwe schulden ontstaan. Verzoeker kan met zijn huidige inkomen vanwege het beslag dat daarop is gelegd, zijn alimentatieverplichtingen niet nakomen, waardoor er elke maand een nieuwe schuld aan het LBIO ontstaat. Het minnelijk traject kan pas opgestart worden indien verzoeker bij de rechtbank een nihilstelling aanvraagt en deze nihilstelling wordt toegewezen. Verzoeker heeft verklaard dat hij, recentelijk heeft besloten zijn advocaat een verzoek tot nihilstelling te laten indienen.
3.
Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2014 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 27 augustus 2014 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 september 2014 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met het moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Ter terechtzitting is vast komen te staan dat het minnelijk traject nog niet is opgestart in afwachting van de uitkomst van de procedure tot nihilstelling van de door verzoeker verschuldigde alimentatie. Verzoeker zal hierdoor niet binnen afzienbare tijd een regeling voor zijn schulden kunnen aanbieden casu quo overeen kunnen komen. Er is derhalve thans nog geen sprake van een situatie waarvoor de wetgever met het moratorium een voorziening heeft beoogd te bieden. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout rechter, en in aanwezigheid van
mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2014.