Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[gedaagde], in zijn hoedanigheid van (opvolgend) curator in de faillissementen van:
1.Het procesverloop
2.De verdere beoordeling van het geschil
- € 1.356,-- +punten* tarief II à € 452,--)
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of het pandrecht dat [gedaagde2] op haar verzekeringsportefeuille aan [eiser] had gevestigd, rechtsgeldig was. De curator voerde verweer dat dit pandrecht nietig was op grond van artikel 2:207c lid 1 van het oude Burgerlijk Wetboek, dat zekerheidstelling door een vennootschap met het oog op het verkrijgen van aandelen in haar kapitaal verbiedt.
De rechtbank heeft eerst de verweren van de curator beoordeeld voordat zij inging op een prejudiciële vraag die door de Hoge Raad was aangemerkt als geschikt voor beantwoording. De curator stelde dat de nietigheid van het pandrecht reeds vóór 1 oktober 2012 was ingeroepen, namelijk in een brief van 16 april 2012 aan de advocaat van [eiser]. Hoewel de brief niet expliciet het woord 'nietigheid' bevatte, was voor de rechtbank duidelijk dat de curator hiermee de nietigheid wilde aanvoeren.
De rechtbank oordeelde dat het pandrecht op de verzekeringsportefeuille in strijd is met art. 2:207c BW (oud) en daarom nietig is. Omdat de nietigheid tijdig was ingeroepen, slaagde dit verweer en werd de vordering van [eiser] afgewezen. De rechtbank veroordeelde [eiser] tevens in de proceskosten, die werden begroot op € 3.246,-- aan de zijde van de curator, terwijl de kosten aan de zijde van [gedaagde2] nihil werden begroot.
Het vonnis werd uitgesproken door de rechtbank Rotterdam op 12 november 2014 en is een belangrijke toepassing van het verbod op zekerheidstelling door vennootschappen in het kader van aandelenverwerving.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens nietigheid van het pandrecht op de verzekeringsportefeuille en veroordeelt eiser in de proceskosten.