ECLI:NL:RBROT:2014:9312
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom AFM wegens misleidende handelspraktijken
De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) legde aan verzoekster, beheerder van meerdere vastgoedfondsen, een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 8.8 van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc). De AFM stelde vast dat verzoekster 17% van de gelden van obligatiehouders niet volledig doorleende aan de beoogde Duitse dochtermaatschappijen, terwijl in de prospectussen werd vermeld dat 100% zou worden doorgeleend. Tevens werden essentiële financiële gegevens niet of onvoldoende aan obligatiehouders verstrekt.
Verzoekster maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van het besluit en een verbod tot openbaarmaking. De rechtbank oordeelde dat de AFM voldoende onderbouwing had gegeven voor de overtredingen en dat de verstrekte nieuwsbrieven onvoldoende inzicht boden in de financiële situatie. Ook het argument dat geen obligatiehouders meer zouden zijn, werd onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank vond dat de dwangsom passend was en dat het belang van openbaarmaking zwaarder woog dan het belang van verzoekster. Er was geen reden voor een voorlopige voorziening, mede omdat verzoekster had aangegeven aan de last te zullen voldoen. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom van de AFM wordt afgewezen.