Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 11 juni 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 14 oktober 2014
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de ter comparitie door de curator overgelegde productie 8
- de door [gedaagde] ter comparitie overgelegde verklaring van erfrecht.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
- primair veroordeling van [gedaagde] tot verdeling van de genoemde woning in die zin, dat deze wordt toegescheiden aan de curator onder de verplichting deze te gelde te maken, met bepaling dat de helft van de netto-opbrengst bij verkoop zal toekomen aan [gedaagde];
- subsidiair veroordeling van [gedaagde] tot verdeling van de genoemde woning in die zin, dat deze wordt toegescheiden aan [gedaagde] onder de verplichting deze te gelde te maken, met bepaling dat de helft van de netoo-opbrengst zal toekomen aan de curator;
- meer subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot verdeling van de gemeenschap waarin hij en de curator deelgenoten zijn met benoeming van een onzijdig persoon om [gedaagde] te vertegenwoordigen, voor zover hij onwillig is, bij de werkzaamheden tot verdeling van de nalatenschap en een notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen plaatsvinden.
- opheffing van het gelegde beslag onder last van een dwangsom van € 250,-- per dag indien de curator daarmee in gebreke blijft;
- betaling van € 5.000,-- vermeerderd met rente en kosten, bestaande uit de werkelijke kosten in conventie en reconventie van de onderhavige procedure, alsmede deze vordering te kwalificeren als een superboedelvordering overeenkomstig het arrest HR 5 september 1997, NJ 1998/437.