De rechtbank Rotterdam behandelde op 2 december 2014 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot zware mishandeling en belaging. De verdachte werd pas ruim zeventien maanden na de aangifte van de verdenking op de hoogte gesteld, wat zijn verdedigingsmogelijkheden ernstig heeft beperkt.
De officier van justitie vorderde niet-ontvankelijkheid voor het feit van belaging en veroordeling voor poging zware mishandeling. De verdediging stelde dat de late kennisgeving van de verdenking het recht op een eerlijk proces schond, omdat de verdachte zich niet meer kon herinneren waar hij was ten tijde van het feit en daardoor geen alibi kon bieden of getuigen kon laten horen.
De rechtbank oordeelde dat door de lange vertraging en het ontbreken van een goede reden voor deze vertraging de verdedigingsbelangen van verdachte zodanig waren geschaad dat een eerlijk proces niet meer mogelijk was. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de poging tot zware mishandeling.
De tenlastelegging betrof onder meer het stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het achtervolgen en gevaarlijk rijgedrag met een auto nabij een motorfiets. De zaak werd afgesloten zonder inhoudelijke beoordeling van de feiten wegens procedurele schendingen.