4.3Bestreden besluit 2 komt niet tegemoet aan de bezwaren van eiser, zodat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede is gericht tegen bestreden besluit 2.
5. Eiser stelt zich in beroep met betrekking tot bestreden besluit 2 op het standpunt dat [verzoeker] wel degelijk de machtiging heeft ondertekend en dat verweerders argumenten dus misplaatst zijn.
6. Artikel 2:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
In artikel 2:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, kan weigeren.
Op grond van het tweede lid worden de belanghebbende en de in het eerste lid bedoelde persoon van de weigering onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.
7. Aan de orde is de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in deze zaak tegen eiser als gemachtigde ernstige bezwaren bestaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
8. De rechtbank is gebleken dat de door eiser aan verweerder overgelegde, niet gedateerde machtiging een handtekening bevat die volledig overeenkomt met de eveneens volstrekt identieke handtekeningen op de Wob-verzoeken. Gelet hierop is aannemelijk dat sprake is van het kopiëren van de handtekening op de verschillende stukken. De bij de gedingstukken aanwezige kopie van de [document] van [verzoeker] vertoont een handtekening die niet overeenkomt met de handtekening op de machtiging en de Wob-verzoeken. Gelet hierop heeft verweerder kunnen twijfelen of de Wob-verzoeken en machtiging daadwerkelijk door [verzoeker] persoonlijk zijn ondertekend. De rechtbank acht hierbij voorts van belang dat namens verweerder onderzoek is gedaan op het op de Wob-verzoeken en machtiging vermelde adres, zijnde een pand waarvan ten tijde van de besluitvorming eiser de eigendom had, [verzoeker] daar niet is aangetroffen en ook niet bekend was bij de bewoners van het pand.
9. Onder deze omstandigheden en in acht genomen de publieke uitlatingen van eiser, dat hij in persoon en door middel van derden een stroom van brieven aan de gemeente Dordrecht zal sturen teneinde het bestuursapparaat van de gemeente te ontwrichten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in deze zaak op het standpunt heeft kunnen stellen dat er ernstige bezwaren bestaan tegen eiser als gemachtigde.
10. Het beroep van eiser is dus ongegrond.
11. Verweerder is teruggekomen op zijn besluit om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Dit heeft verweerder gedaan nadat eiser beroep heeft ingesteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
12. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.