De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van verkrachting op 3 februari 2014. De kern van het geschil betrof de vraag of verdachte opzettelijk dwang heeft uitgeoefend om seksuele handelingen tegen de wil van de aangeefster te laten plaatsvinden. Zowel verdachte als aangeefster erkenden dat de seksuele handelingen grotendeels hebben plaatsgevonden, maar het draaide om de vraag of deze tegen de wil van aangeefster waren.
De rechtbank baseerde haar oordeel mede op het arrest van de Hoge Raad van 27 augustus 2013, waarin is bepaald dat sprake kan zijn van dwang indien sprake is van opzettelijke psychische druk of een bedreigende situatie waardoor het slachtoffer zich niet kan verzetten. Uit de verklaringen bleek dat aangeefster aanvankelijk aangaf dat verdachte moest stoppen, maar later een passieve en gelaten houding aannam. Verdachte verklaarde dat hij dacht dat er sprake was van een speels kat-en-muisspel en dat hij de grenzen opzocht.
De rechtbank concludeerde dat niet bewezen is dat verdachte opzettelijk dwang heeft uitgeoefend of dat hij zich bewust was van het tegen de wil ondergaan van de handelingen door aangeefster. De verklaring van een psycholoog over een onrijpe persoonlijkheid van verdachte, die subtiele sociale nuances mist, werd hierbij betrokken. De rechtbank sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde en wees de vordering van de benadeelde partij af wegens niet-ontvankelijkheid.