1.2.In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.
3. Eiseres is geboren op 30 augustus 1982 en heeft de Duitse nationaliteit. Eiseres volgt een studie aan het [naam 2] te Rotterdam. Eiseres ontving vanaf mei 2013 studiefinanciering. Daarnaast werkt(e) eiseres in loondienst. Sinds eind 2013 volgt eiseres een therapie vanwege haar mentale gesteldheid. In december 2013 heeft eiseres verzocht om verlenging van haar studiefinanciering met 3 maanden vanaf 1 januari 2014 en daarbij verklaard het vereiste aantal uren (56 uur per maand) te werken.
4. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiseres over de maanden vanaf februari 2014 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat zij niet is aan te merken als migrerend werknemer of daarmee gelijk gesteld kan worden. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de op 1 januari 2014 in werking getreden beleidsregel ‘Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap’ van 13 december 2012 (hierna: beleidsregel 56 uur) waarin voor de uitleg van het begrip migrerend werknemerschap aansluiting is gezocht bij de Vreemdelingcirculaire. Op basis van de beleidsregel 56 uur wordt door verweerder een belanghebbende pas als een migrerend werknemer beschouwd als deze gemiddeld ten minste 56 uur per maand werkt. Volgens verweerder heeft eiseres, gelet op de door haar overgelegde stukken, in de periode van april tot en met augustus 2014 niet voldoende uren gewerkt en is niet aannemelijk geworden dat eiseres in de maanden september tot en met december 2014 het gemiddelde over het hele jaar 2014 nog kan verhogen tot 56 uur per maand.
5. Eiseres voert aan dat zij recht heeft op studiefinanciering, al dan niet met ingang van 1 februari 2014. In dat verband wijst zij erop dat zij al in 2013 de status had van migrerend werknemer en dat zij deze status in 2014 heeft behouden, nu zij in 2014 niet is gestopt met het verrichten van betaald werk en ook niet minder is gaan werken. Volgens eiseres heeft het begrip migrerend werknemer zelfstandige betekenis binnen het recht van de Europese Unie en mag dit niet eenzijdig door een lidstaat worden uitgelegd. Eiseres stelt dat uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) blijkt dat een dienstverband van niet meer dan 10 uur per week (40 uur per maand) kan volstaan om aanmerkt te kunnen worden als migrerende werknemer (HvJ EU van 14 december 1995, Megner en Scheffer, C-444/93 en HvJ EU van 4 februari 2014, Genc, C-14/09). Eiseres stelt daarnaast dat uit de uitspraak van het HvJ EU van 18 juli 2007 (Geven, C-213/05) blijkt dat een dienstverband van tussen de drie en veertien uur per week (12-56 uur per maand) voldoende is om aangemerkt te kunnen worden als migrerend werknemer. Onder verwijzing naar haar salarisspecificaties stelt eiseres dat zij in 2014 gemiddeld 38,60 uur per week heeft gewerkt. Het feit dat zij niet voldoet aan de 56-uursnorm doet naar haar mening daaraan niet af. De status van migrerend werknemer is immers niet gekoppeld aan een strikte uursnorm. Eiseres voert ten slotte aan dat verweerder ten onrechte geen acht heeft geslagen op de overige feiten en omstandigheden, waaronder de omstandigheden dat zij tevens student is en dat zij, gelet op haar onderwijsverplichtingen, minder beschikbaar is en zij bovendien te kampen heeft met een borderline persoonlijkheidsstoornis.