Eiser kreeg van het UWV een boete opgelegd van €1.168,31 wegens het niet melden van gewerkte uren tijdens de periode van november 2012 tot maart 2013, wat leidde tot onterecht ontvangen WW-uitkeringen. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar van eiser terecht beperkt was tot de boeteoplegging en dat het dwangbevel ter invordering niet tot het bestuursrechtelijke geding behoort.
De rechtbank constateert dat het UWV de boete onjuist heeft berekend door het sanctieregime van na 1 januari 2013 ook toe te passen op de periode daarvoor. Voor de periode voor 1 januari 2013 geldt een boete van 10% van het benadelingsbedrag met een minimum van €52, terwijl voor de periode daarna een boete tot 100% kan worden opgelegd bij grove schuld.
De rechtbank stelt vast dat eiser grove schuld heeft aan het niet melden van uren in 2013 en legt voor die periode een boete van 75% van het benadelingsbedrag op. Na afronding komt de totale boete op €860. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het eerdere boetebesluit, stelt de boete vast op dit bedrag en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Er is geen grond voor proceskostenveroordeling.