In deze civiele procedure heeft eiser een vrijwaringsvordering ingesteld tegen gedaagde naar aanleiding van een hoofdzaak waarin zij hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling van een bedrag. Eiser heeft de vrijwaringsprocedure niet voortgezet en verzocht om doorhaling. Gedaagde verzette zich tegen doorhaling en vorderde proceskostenvergoeding wegens gemaakte kosten.
De rechtbank overweegt dat het instellen van de vrijwaringsprocedure redelijk was en dat gedaagde zich heeft gesteld en eigen bijdrage heeft betaald. Nu eiser de procedure niet voortzet, acht de rechtbank het billijk dat eiser de proceskosten draagt. De rechtbank wijst echter af om kosten voor advocaatensalaris toe te kennen, omdat de werkzaamheden in de vrijwaringszaak niet losstaan van de hoofdzaak en het opstellen van stukken niet opportuun was.
De rechtbank veroordeelt eiser tot betaling van €193 aan proceskosten aan gedaagde en verklaart de vordering in de vrijwaringsprocedure ingetrokken. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en op 4 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.