ECLI:NL:RBROT:2015:1979

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2015
Publicatiedatum
24 maart 2015
Zaaknummer
470212
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.J. van den Broek-Prins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging gesloten jeugdhulp en mogelijkheid familiegroepsplan

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de Gecertificeerde Instelling om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige. De minderjarige verbleef eerder op verschillende woonplekken, waaronder een leefgroep, maar was niet gemotiveerd om daar te blijven. De GI stelde dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk was om haar veiligheid te waarborgen en gefaseerd aan haar zelfstandigheid te werken.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en de minderjarige woont bij haar. De moeder en broer kampen met psychische klachten, wat de thuissituatie kwetsbaar maakt. De raadsvrouw van de minderjarige betoogde dat het verzoek niet voldeed aan de wettelijke vereisten en dat de problemen niet door de minderjarige zelf werden veroorzaakt.

De kinderrechter oordeelde dat gesloten jeugdhulp slechts kan worden verleend indien ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen de ontwikkeling ernstig belemmeren en opname noodzakelijk is om onttrekking te voorkomen. Dit was niet het geval, aangezien de minderjarige groei toont en hulpverlening accepteert. De rechter wees het verzoek af en gaf de mogelijkheid een familiegroepsplan op te stellen bij escalatie van de thuissituatie, hetgeen door de moeder werd omarmd.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp wordt afgewezen en de mogelijkheid tot een familiegroepsplan wordt geboden.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/470212 / JE RK 15-422
datum uitspraak: 4 maart 2015

beschikking machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[Naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

hierna te noemen [de minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[Naam moeder], hierna te noemen de moeder,

wonende te [adres].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 13 februari 2015, ingekomen bij de griffie op 16 februari 2015;
- de verklaring, vervat in het verzoekschrift, van 13 februari 2015 dat een voorziening nodig is op het gebied van jeugdhulp;
- de instemmende verklaring d.d. 3 maart 2015 van de gekwalificeerde gedragswetenschapper.
Op 4 maart 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de minderjarige [Naam minderjarige], bijgestaan door haar raadsvrouw mr. J.A. van Gemeren,
- de moeder,
-[naam], vertegenwoordigster van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 2 juni 2014 is - onder meer - de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 9 juni 2015.

Het verzoek

De GI heeft een machtiging verzocht om [de minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het standpunt van verzoeker

[de minderjarige] heeft op verschillende woonplekken verbleven, ook binnen de gesloten jeugdhulp.
Laatstelijk is haar verblijf op een leefgroep van Prokino niet verlengd, omdat [de minderjarige]
hiervoor niet gemotiveerd was. [de minderjarige] heeft ondanks de vele wisselingen in haar leven een
groei doorgemaakt en woont sinds drie weken weer bij haar moeder en broer [naam] thuis.
De psychische klachten van zowel de moeder als de broer maken dat de situatie thuis kan
escaleren. Nu [de minderjarige] niet gemotiveerd is om te verblijven op de leefgroep van
Prokino is volgens de GI een plaatsing van [de minderjarige] in een gesloten accommodatie de enige
manier om haar veiligheid te waarborgen en om vanuit een dergelijke gesloten setting
gefaseerd te werken aan haar zelfstandigheid.

Het standpunt van belanghebbenden

Namens [de minderjarige] heeft haar raadsvrouw de kinderrechter verzocht het verzoek van de GI af te wijzen, nu niet voldaan is aan de vereisten van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet. Het verzoek van de GI is oneigenlijk, nu de problemen thuis niet door [de minderjarige] worden veroorzaakt, maar door de psychische problemen van haar moeder en haar broer [naam].
De moeder heeft te kennen gegeven niet in te stemmen met het verzoek van de GI.

De beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Hiervan is thans geen sprake. Integendeel, [de minderjarige] heeft een groei doorgemaakt en accepteert de hulpverlening. Dat de moeder en de broer van [de minderjarige] te kampen hebben met psychische problematiek is niet voldoende redengevend om [de minderjarige] opnieuw uit huis te plaatsen zonder alternatieven, zoals een familiegroepsplan, te overwegen.
De kinderrechter heeft de mogelijkheid geboden een familiegroepsplan op te stellen, voor het geval de thuissituatie escaleert. De moeder heeft te kennen gegeven dat zij gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van den Broek-Prins, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.K. van Dijk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.