Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2015 in de zaak tussen
[eiser], te Amsterdam, eiser,gemachtigde: mr. I.P. Sigmond,
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,
Procesverloop
artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat de beperkte kennisneming van het advies van het Bureau Bibob niet gerechtvaardigd is. Verweerder heeft hierop meegedeeld dat er geen bezwaar bestaat tegen het alsnog opnemen van het advies in het dossier.
ROT 13/5891. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.
Overwegingen
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of eiser is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de besluiten van verweerder om de door [aanvrager] aangevraagde exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning te weigeren.
Bij besluit van 3 mei 2012 heeft verweerder een voorlopige exploitatievergunning voor Anatolia geweigerd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de horecacoördinator bij de politie van district Rotterdam-West in het kader van de uit te voeren quick scan heeft geadviseerd de gevraagde vergunning niet te verlenen, onder meer omdat er van eiser, als beoogd beheerder, gegevens bekend zijn die een gedegen onderzoek noodzakelijk maken.
Bij de primaire besluiten, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de gevraagde exploitatievergunning en de Drank- en Horecawetvergunning geweigerd, onder de overweging dat een ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Daartoe heeft verweerder overwogen dat het Bureau Bibob op goede gronden heeft geconcludeerd dat een ernstig gevaar bestaat dat deze vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob.
20 augustus 2012 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit het advies blijkt dat de gebruikte informatie afkomstig is van verschillende bronnen, waaronder het Justitieel Documentatie Systeem (JDS), het Openbaar Ministerie (OM) en de politie.
De opgenomen verklaringen en informatie zijn specifiek genoeg en de gebruikte bronnen kunnen als betrouwbaar worden beoordeeld. Uit het advies blijkt dat er een voldoende geconcretiseerd vermoeden bestaat dat eiser in de periode van 10 november 1999 tot en met 29 januari 2012 betrokken is geweest bij geweldsincidenten. In verband hiermee zijn aan eiser geldboetes en gevangenisstraffen opgelegd. Met betrekking tot zijn betoog dat voor een aantal van de feiten geen onherroepelijke veroordeling is uitgesproken, overweegt de rechtbank dat het feit dat eiser niet strafrechtelijk is veroordeeld voor één of meer van de in het advies genoemde delicten, niet tot de conclusie leidt dat geen grond aanwezig is voor toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob. Voor een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 3, derde lid, is niet vereist dat een veroordeling door de strafrechter is gevolgd. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat er eerder geen aanleiding is geweest om de vergunningen voor zijn horecaonderneming [[x]]te weigeren, overweegt de rechtbank dat tussen het positieve Bibob-advies uit 2011, dat aan die vergunningen ten grondslag lag, en het thans voorliggende advies, zich opnieuw geweldsincidenten hebben voorgedaan. De aard en ernst van die incidentenworden voldoende geacht om nu tot een negatief advies te komen. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank tevens het feit dat het gaat om gedragingen, die stelselmatig over een langere periode worden vertoond. Het betoog dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, faalt.
Het bovenstaande brengt tevens met zich dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder gehouden was na afweging van de betrokken belangen de gevraagde vergunningen onder nadere voorwaarden of voorschriften te verlenen.
Beslissing
mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2015.