ECLI:NL:RBROT:2015:2307

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 april 2015
Publicatiedatum
2 april 2015
Zaaknummer
ROT 13-7115
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:29 AwbArt. 93 MwArt. 1 Mw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep NPCF wegens ontbreken belanghebbendestatus als consumentenorganisatie

De Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) stelde beroep in tegen het besluit van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om vergunning te verlenen voor de fusie van twee ziekenhuizen. De rechtbank onderzocht of NPCF als consumentenorganisatie kon worden aangemerkt en daarmee belanghebbende was in de zin van de Mededingingswet en de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank oordeelde dat hoewel patiënten als consumenten in de zorgmarkt worden beschouwd, NPCF niet aannemelijk had gemaakt dat zij de collectieve belangen van patiënten behartigt. Haar statuten richten zich op het behartigen van belangen van patiënten-consumentenorganisaties, niet direct van patiënten zelf. Daarnaast bleek uit stukken dat de regionale patiëntenorganisatie Zorgbelang Brabant, lid van NPCF, geen bezwaar had tegen de fusie en geen beroep instelde.

De rechtbank stelde verder vast dat NPCF niet had aangetoond dat haar leden of individuele patiënten haar hadden gemachtigd om namens hen het beroep te voeren. Het algemene belang dat NPCF nastreeft om zorgconcentraties zorgvuldig te toetsen, volstaat niet om als belanghebbende te worden aangemerkt.

Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitkomst: Het beroep van de NPCF is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belanghebbendestatus.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 13/7115

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2015 in de zaak tussen

de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF), te Utrecht, eiseres,

gemachtigden: mr. J.K. de Pree en mr. G.R. Hakopian,
en

de Autoriteit Consument & Markt (ACM), verweerster,

gemachtigden: mr. E.K.S. Mollen en mr. drs. G.J. la Bastide
met als derde partij
Stichting Bravis ziekenhuis (Bravis)voorheen Stichting Lievensberg Ziekenhuis en Stichting R.K. Ziekenhuis St. Franciscus, te Roosendaal,
gemachtigden: mr. M.J. Osse en mr. D. Radder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2013 heeft ACM vergunning verleend voor de fusie (concentratie) van Stichting Lievensberg ziekenhuis (LZB) en Stichting R.K. St. Franciscus (FZR).
Eiseres heeft tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld.
ACM heeft bij brief van 24 december 2013, zoals nader toegelicht bij brieven van 3 en 14 maart 2014 alsmede van 5 en 18 september 2014, de op het geding betrekking hebbende stukken ingediend. Ten aanzien van (gedeelten van) stukken heeft ACM daarbij, op grond van artikel 8:29, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de bestuursrechter meegedeeld dat uitsluitend hij daarvan kennis zal mogen nemen en verzocht om met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Voor zover ACM bij eerdergenoemde brieven voor een aantal stukken het verzoek ex artikel 8:29 van Pro de Awb niet langer heeft gehandhaafd, zijn deze stukken aan het dossier toegevoegd en aan eiseres en de derde partij gezonden.
ACM heeft een verweerschrift ingediend.
De derde partij en eiseres hebben een nader stuk ingediend.
Bij beslissing van 1 december 2014 heeft de rechter-commissaris de beperking van de kennisneming deels gerechtvaardigd geacht. De (gedeelten van) stukken waarvoor de beperking van de kennisneming niet (geheel) gerechtvaardigd is geacht, heeft ACM bij brief van 15 december 2014 alsnog openbaar gemaakt. Bij brieven van 17 december 2014 heeft de rechtbank de betreffende stukken aan eiseres en de derde partij toegezonden. Eiseres en de derde partij hebben de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb genoemde toestemming verleend, zodat de rechtbank met kennisneming van deze stukken uitspraak heeft gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2015. Voor eiseres zijn verschenen haar gemachtigden, bijgestaan door [naam 1] en vergezeld van mr. dr. E.M.H. Loozen en dr. M. Varkevisser.
ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.
Namens de derde partij zijn verschenen haar gemachtigden, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] en vergezeld van prof. dr. B.E. Baarsma.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft ACM vergunning verleend voor de concentratie van LZB en FZR.
3. In beroep stelt Bravis - het gefuseerde ziekenhuis - zich primair op het standpunt dat eiseres geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, zodat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe stelt zij dat eiseres niet kan worden aangemerkt als consumentenorganisatie als bedoeld in artikel 93, eerste lid, gelezen in verband met artikel 1, onder n, van de Mededingingswet.
3. De rechtbank komt, voor zover nodig ambtshalve, tot de volgende beoordeling.
4. Op grond van artikel 93, eerste lid, van de Mededingingswet wordt een consumentenorganisatie geacht belanghebbende te zijn bij besluiten op grond van deze wet.
Onder consumentenorganisaties wordt op grond van artikel 1, onder n, van de Mededingingswet verstaan: stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens hun statuten tot taak hebben het behartigen van de collectieve belangen van consumenten.
5. Eiseres is blijkens haar statuten een vereniging van landelijke patiënten‑consumentenorganisaties. Zij stelt zich blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten tot doel:
a. het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van patiënten‑consumentenorganisaties en het zorgdragen voor gezamenlijke beleidsontwikkeling en innovatie een en ander voor zover de leden daartoe mandaat hebben verleend;
b. het bieden van een platform voor patiënten-consumentenorganisaties om onderlinge samenwerking en gemeenschappelijke belangenbehartiging te bevorderen en te faciliteren;
c. het signaleren van leemtes in de patiënten-consumentenbeweging en het bijdragen aan het initiëren van oplossingsmogelijkheden.
Op grond van het tweede lid is onder het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van patiënten-consumentenorganisaties als bedoeld in lid 1 mede begrepen het uiten van klachten en het voeren van procedures over besluiten en maatregelen die de omvang en de kwaliteit van zorg negatief kunnen beïnvloeden met betrekking tot individuele patiënten en/of consumenten, de mededinging tussen zorgaanbieders, zorgverzekeraars en tussenpersonen kan beperken danwel misbruik van een machtspositie in de hand kan werken.
Het derde lid bepaalt dat de Federatie in het kader van haar doelstelling ten behoeve van haar leden rechten kan bedingen en namens of in het belang van haar leden en/of (groepen van of individuele) patiënten en consumenten in rechte kan optreden.
6. Bij de beoordeling of eiseres een consumentenorganisatie is in de zin van genoemde bepalingen, stelt de rechtbank voorop dat patiënten zijn aan te merken als consumenten in de zorgmarkt zodat een patiëntenorganisatie in zoverre kan worden gelijkgesteld met een consumentenorganisatie.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat eiseres de collectieve belangen behartigt van patiënten en op die grond is aan te merken als consumentenorganisatie die wordt geacht belanghebbende te zijn in de zin van artikel 93, eerste lid, en artikel 1, onder n, van de Mededingingswet. Bij dit oordeel heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
8. Blijkens haar Statuten heeft eiseres tot doelstelling ‘het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van patiënten-consumentenorganisaties’. Het behartigen van de collectieve belangen van patiënten als zodanig wordt niet uitdrukkelijk als doelstelling genoemd in de statuten. Volgens de artikelen 3 en 6 van de statuten bestaat het ledenbestand van eiseres, een Federatie van patiëntenorganisaties, uit landelijke of regionale patiëntenorganisaties, werkzaam op het terrein van de volksgezondheid vanuit het perspectief van de patiënt. Zorgbelang Brabant, de patiëntenorganisatie in de regio waar de vergunde concentratie zich afspeelt, is lid van Zorgbelang Nederland, dat op haar beurt lid is van eiseres. Uit de stukken, waaronder een gespreksverslag van een telefonisch interview van ACM met Zorgbelang Brabant op 20 augustus 2013, alsmede uit een door Bravis in beroep overgelegd verslag van een telefoongesprek op 27 november 2014 met [naam 4] van Zorgbelang Brabant, blijkt dat deze patiëntenorganisatie geen bezwaar heeft tegen de concentratie en veeleer inschat dat deze positieve gevolgen zal hebben. Zorgbelang Brabant heeft ook geen beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. De verwijzing van eiseres naar de leden 2 en 3 van artikel 2 van Pro de Statuten, op grond waarvan onder het behartigen van gemeenschappelijke belangen mede wordt begrepen het voeren van procedures over (onder meer) besluiten die de mededinging kunnen beperken en het in rechte optreden in het belang van patiënten en consumenten, kan eiseres niet baten. De formulering van deze artikelleden, die een nadere uitwerking zijn van de in lid 1 genoemde activiteiten die eiseres in het gemeenschappelijk belang van patiënten-consumentenorganisaties kan verrichten, veronderstelt dat eiseres bij die activiteiten in het verlengde handelt van de (aan haar kenbaar gemaakte) belangen/wensen van hetzij de leden, hetzij de (groepen van) individuele patiënten en consumenten. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat haar leden, dan wel (een groep van) individuele patiënten of consumenten aan haar de wens kenbaar hebben gemaakt om de onderhavige beroepsprocedure te voeren. In de enkele, in beroep ingenomen stelling dat eiseres hierover overleg heeft gehad met Zorgbelang Brabant, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, nu uit de eerder aangehaalde stukken juist blijkt dat Zorgbelang Brabant géén bezwaar tegen de concentratie heeft. Eiseres lijkt veeleer op te komen voor een hieraan tegengesteld belang.
Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat zij beroep heeft ingesteld om te waarborgen dat concentraties in de zorgsector zoals de onderhavige zorgvuldig en volgens het juiste toetsingskader worden beoordeeld, en dat dit haar van Zorgbelang Brabant afwijkende insteek verklaart, geldt dat een dergelijk, algemeen, belang, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet maakt dat zij voldoet aan de voorwaarden die artikel 93 van Pro de Mededingingswet aan een belanghebbende consumentenorganisatie stelt.
9. Uit het voorgaande volgt dat eiseres niet is aan te merken als consumentenorganisatie als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mededingingswet, zodat zij niet wordt geacht belanghebbende te zijn op de voet van artikel 93, eerste lid, van de Mw. Nu evenmin is gebleken dat eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, is haar beroep niet-ontvankelijk.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. N. Saanen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-Van Wingaarden, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2015.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.