ECLI:NL:RBROT:2015:2515

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 april 2015
Publicatiedatum
10 april 2015
Zaaknummer
10/960002-15
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 126l Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep OM tegen weigering machtiging vertrouwelijke communicatie

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris die de vordering tot machtiging voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel had afgewezen. De zaak betrof een verdachte geboren in 1953 en woonachtig te Rotterdam.

De rechtbank heeft het hoger beroep behandeld in raadkamer op 2 april 2015. De rechtbank oordeelde dat de door het OM aangevoerde informatie onvoldoende concreet was om te kunnen beoordelen of aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit werd voldaan. Het OM stelde dat de machtiging slechts kortstondig zou worden gebruikt en alleen indien de verdachte contact had met mogelijke criminele personen op een publiek toegankelijke plaats, maar dit werd niet als voldoende concreet beschouwd.

De rechtbank benadrukte dat volgens artikel 126l Sv de rechter-commissaris primair verantwoordelijk is voor de toetsing van de proportionaliteit en subsidiariteit van een dergelijke machtiging. De rechtbank bevestigde dat de rechter-commissaris terecht de vordering had afgewezen en verwees tevens naar de mogelijkheid van een mondelinge machtiging bij dringende noodzaak. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van het openbaar ministerie wordt afgewezen en de weigering van de machtiging blijft gehandhaafd.

Uitspraak

BESCHIKKING

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 10/960002-15
Gezien de akte rechtsmiddel d.d. 25 maart 2015 houdende hoger beroep van de officier van
justitie, mr. G. Oosterveld, in het arrondissement Rotterdam tegen de beschikking d.d. 23 maart 2015 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze
rechtbank, in de zaak tegen:
[verdachte]
Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953
Wonende te [adres en woonplaats]
Gezien de stukken, waaronder de bestreden beschikking van de rechter-commissaris d.d. 23 maart 2015, alsmede de grieven van de officier van justitie;
Overwegende dat de behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden in raadkamer
d.d. 2 april 2015;
Overwegende dat het hoger beroep tijdig is ingesteld, zodat in zoverre de officier van
justitie in zijn beroep kan worden ontvangen;
Gehoord de officier van justitie;

BEOORDELING

De door de officier van justitie aan zijn vordering ten grondslag gelegde informatie behelst in feite niet meer of anders dan dat rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat door verdachten gebruik kan worden gemaakt van communicatiemiddelen die bij het onderzoeksteam nog niet bekend zijn of (met de mogelijkheid) dat communicatie alleen in persoon plaatsvindt.
De rechter-commissaris heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat deze informatie onvoldoende concreet is en dat derhalve op basis van deze informatie niet kan worden beoordeeld of al dan niet wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het betoog dat (wel) aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit wordt voldaan nu in de vordering wordt vermeld dat er slechts kortstondig gebruik zal worden gemaakt van de te verlenen machtiging en alleen indien verdachte contact heeft met (mogelijke) criminele personen op een publiek toegankelijke plaats, gaat niet op. Het miskent dat ingevolge het bepaalde in artikel 126l Sv. het niet de officier van justitie is, maar in de eerste plaats de rechter-commissaris die – aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval – deze toets dient aan te leggen.
Ten overvloede wordt verwezen naar lid 7 van bovengenoemd artikel waarin staat dat bij dringende noodzaak de rechter-commissaris een mondelinge machtiging kan geven.
Aldus gedaan in raadkamer op 2 april 2015
door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. C. Vogtschmidt en J. Leyenaar-Holleman, rechters,
in tegenwoordigheid van A.M. Vos, griffier.