Biomet, een groep besloten vennootschappen actief in medische en orthopedische producten, voerde overleg met haar ondernemingsraad (OR) over een wijziging van de pensioenregeling gebaseerd op budgetneutraliteit. De OR verleende in juli 2014 onder voorwaarden instemming, waaronder volledige financiële compensatie van werknemers. Biomet diende vervolgens instemmingsverzoeken in met een pensioenopbouw op basis van een 3% netto beschikbare premiestaffel, terwijl de OR de voorkeur gaf aan een 4% staffel en stelde dat de compensatieregeling onvoldoende was, vooral voor werknemers boven 45 jaar en met een inkomen boven €100.000.
Biomet verzocht de kantonrechter om vervangende toestemming om het besluit zonder instemming van de OR in te voeren, stellende dat het onthouden van instemming onredelijk was en dat zwaarwegende bedrijfseconomische redenen bestonden. De OR voerde aan dat het onderscheid in compensatie tussen groepen werknemers onacceptabel en onredelijk was en dat de voorgestelde compensatie voor 45-plussers slechts tijdelijk was.
De kantonrechter oordeelde dat de OR wel degelijk instemmingsrecht heeft over de compensatieregeling en dat het onthouden van instemming niet onredelijk was gezien het ongerechtvaardigde onderscheid in compensatie tussen werknemersgroepen. De tijdsdruk van Biomet werd niet als zwaarwegend genoeg beoordeeld. Het verzoek tot vervangende toestemming werd afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.