ECLI:NL:RBROT:2015:3426

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2015
Publicatiedatum
18 mei 2015
Zaaknummer
C/11/15/97 F
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WvKArt. 73 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen faillietverklaring vennoot VOF ongegrond verklaard

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzet van een vennoot tegen zijn faillietverklaring, waarbij de vennoot stelde dat het faillissement van de vennootschap onder firma (VOF) niet automatisch tot zijn persoonlijk faillissement mocht leiden zonder voldoende onderbouwing.

De vennoot voerde aan dat het verzoekschrift niet voldeed aan de vereisten van het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2015, dat stelt dat schuldeisers duidelijk moeten maken dat zij ook het faillissement van de vennoten beogen en dit moeten onderbouwen. Daarnaast betwistte hij de toestand van het hebben opgehouden te betalen en stelde een tegenvordering te hebben.

De rechtbank oordeelde dat het verzoekschrift voldoende duidelijk was en dat de vordering van de schuldeiser tegen de vennoot goed onderbouwd was met facturen, specificaties en een proces-verbaal. De tegenvordering van de vennoot was niet onderbouwd. Tevens was gebleken dat de vennoot in staat van te hebben opgehouden te betalen verkeert. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de vennoot werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzet tegen de faillietverklaring van de vennoot wordt ongegrond verklaard en de vennoot wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie
Insolventienummers [nummer]
VONNIS op het verzoekschrift van:
[naam],
wonende aan de [adres],
[woonplaats],
advocaat mr. M.W. Huijzer,
opposant,
strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 3 februari 2015, waarbij opposant, op verzoek van de stichting
STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEGvoor wie als advocaat optreedt mr. J.A. Trimbach, hierna te noemen geopposseerde, in staat van faillissement is verklaard.

1.De procedure

Het verzetschrift is ter terechtzitting van 23 februari 2015 behandeld alwaar aanwezig waren [naam], opposant, [naam], mr. M.H. Huijzer, mr. J.A. Trimbach, en mr. P.A. Visser, namens de curator.
Door de curator is op 20 februari 2015 per fax het eerste faillissementsverslag ex artikel 73 Faillissementswet Pro met bijlagen naar de rechtbank verzonden.
Mr. J.A. Trimbach heeft bij fax van 19 februari 2015 aanvullende stukken naar de rechtbank gestuurd.
Ter terechtzitting hebben zowel mr. M.H. Huijzer als mr. J.A. Trimbach (pleit)aantekeningen overgelegd en voorgedragen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

De curator heeft in zijn faillissementsverslag melding gemaakt van de bij hem ingediende vorderingen in het faillissement van de vennootschap onder firma [naam] (hierna VOF). Door de fiscus is een vordering van € 39.705,-- ingediend te vermeerderen met kosten van € 1.902,--. Daarnaast zijn er vijf concurrente vorderingen ingediend van in totaal een bedrag van € 15.147,48. Het salaris van de curator in het faillissement van opposant is begroot op een bedrag van € 1.832,-- exclusief BTW.
Door mr. J.A. Trimbach is aanvullend overgelegd het uitvoeringsreglement, de openstaande premiefacturen (en die facturen waar het proces-verbaal van 4 juni 2014 niet in voorziet) en de specificaties van de premiefacturen.

3.De standpunten

Voor zover van belang is door partijen het volgende aangevoerd.
Opposant heeft aangevoerd dat op basis van het recente arrest van de Hoge Raad van
6 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:251) het faillissement van een vennootschap onder firma niet automatisch leidt tot het faillissement van de vennoten. Door de Hoge Raad is bepaald dat als een schuldeiser het faillissement van een vennootschap onder firma én diens vennoten beoogt, de schuldeiser dit goed dient te stellen en te onderbouwen. De rechter dient vervolgens te onderzoeken of ook ten aanzien van de betreffende vennoten aan de voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan.
Het verzoekschrift van geopposeerde voldoet niet aan deze vereisten. In het verzoekschrift
ontbreekt de grondslag van de eventuele vordering op de vennoten. Evenmin blijkt uit het vonnis tot faillietverklaring dat de rechtbank heeft onderzocht in hoeverre geopposseerde daadwerkelijk een vordering op de vennoten heeft en in hoeverre overigens aan de voorwaarden voor faillietverklaring met betrekking tot de vennoten is voldaan. Deze tekortkomingen in het verzoekschrift en in het onderzoek ter terechtzitting kunnen en mogen niet achteraf middels een ex-nunc toetsing worden gerepareerd. Verder betwist opposant dat sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen, nu er geen schuldvorderingen in het privé-faillissement van opposant zijn ingediend.
Voorts heeft opposant ter zitting aangevoerd dat sprake is van een tegenvordering op geopposeerde van een bedrag tussen de € 20.000,-- en € 30.000,--.
Tenslotte concludeert opposant dat zijn privé-faillissement dient te worden vernietigd met veroordeling van geopposeerde in de proceskosten, waaronder de kosten van de curator.
Namens geopposeerde is haar vorderingsrecht op de VOF en zijn vennoten, waaronder opposant, onderbouwd met overlegging van facturen en specificaties. Zij beroept zich daarbij op de in artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel (WvK) genoemde hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten voor de nakoming van de verplichtingen van de VOF. De in rekening gebrachte premiefacturen zijn -op twee na- alle gebaseerd op door de VOF aangeleverde loongegevens. Daarnaast heeft geopposeerde jegens de VOF en jegens de vennoten, waaronder opposant, een vordering uit hoofde van het proces-verbaal van 4 juni 2014.
Verder betwist geopposeerde dat uitsluitend voor de VOF het faillissement is aangevraagd en verwijst in dat verband naar het kopje “redenen waarom” in het verzoekschrift. Ook voldoet het verzoekschrift ten aanzien van opposant aan de vereisten nu opposant mede valt onder “gerekwestreerde”. Ten aanzien van opposant is aan de voorwaarde voor faillietverklaring voldaan. Het tegendeel is ook op geen enkele wijze door opposant aangetoond.
Het onderzoek door de rechtbank is voldoende geweest, in aanmerking nemend dat opposant niet is verschenen. Tenslotte dienen de (proces)kosten voor rekening van opposant te komen.
De curator heeft verklaard dat rekening houdend met de schulden van de VOF opposant op dit moment verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.

4.De beoordeling

Bij vonnis van 3 februari 2015 is opposant in staat van faillissement verklaard. Het verzetschrift is op 17 februari 2015 ter griffie ontvangen zodat opposant tijdig verzet heeft ingesteld en daarom kan worden ontvangen.
De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoekschrift -voldoende duidelijk- is gebleken dat geopposeerde ook ten aanzien van opposant het faillissement heeft verzocht.
De rechtbank dient vervolgens te onderzoeken of ten aanzien van opposant aan de voorwaarden van faillietverklaring is voldaan. Daarbij mag rekening gehouden worden met alle feiten en omstandigheden zowel ten tijde van de zitting van 3 februari 2015 alsmede met de feiten die zich na deze zitting hebben voorgedaan.
De rechtbank is van oordeel dat het vorderingsrecht van geopposeerde op opposant voldoende aannemelijk is. Tegenover de onderbouwing daarvan door geopposeerde met facturen, specificaties, een proces-verbaal van een minnelijke regeling, waarbij opposant partij was, en een beroep op artikel 18 WvK Pro staat het door opposant ingebrachte beroep op verrekening met een op geen enkele wijze onderbouwde tegenvordering.
Ook is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat opposant verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Immers gebleken is dat in het faillissement van de VOF een preferente vordering van de fiscus is ingediend van in totaal € 41.607,-- en een vijftal concurrente vorderingen van in totaal € 15.147,48. Daarnaast zijn door de curator in de faillissement van de VOF alsmede in het faillissement van opposant (faillissements-)kosten gemaakt. Niet is aangevoerd of gebleken dat opposant over voldoende privévermogen beschikt om de schulden in de VOF, waaronder begrepen de faillissementskosten, te voldoen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:251) geen aanknopingspunten biedt voor de uitleg die opposant daaraan gegeven heeft. Bovendien is deze in strijd met de vaste rechtspraak ten aanzien van de toetsing na onder meer verzet.
De rechtbank is daarom van oordeel dat voldoende is gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat opposant verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Het gedane verzet zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Geopposeerde heeft verzocht om opposant in de kosten van dit geding te veroordelen. Nu
opposant in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank opposant veroordelen in de kosten
van dit geding welke worden vastgesteld op € 452,00 (zijnde één punt van het
liquidatietarief). De gevraagde kostenveroordeling van geopposeerde zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- wijst af het verzoek van opposant om geopposeerde te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de faillissementskosten;
- veroordeelt opposant in de kosten van het geding aan de zijde van geopposeerde welke worden vastgesteld op € 452,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van de griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2015. [1]