De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Raad voor de Kinderbescherming, vordert in kort geding dat gedaagde wordt veroordeeld tot het verwijderen van heimelijke video-opnamen van een gesprek op 24 oktober 2014. Gedaagde is niet verschenen en verstek is verleend.
De rechtbank oordeelt dat de vordering van de Staat niet onrechtmatig of ongegrond is en wijst deze toe. Gedaagde wordt veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het vonnis alle openbaarmakingen van de video, zowel door hemzelf als door derden, te verwijderen of zich daarvoor in te spannen. Tevens moet hij zich onthouden van toekomstige publicatie en het voorkomen dat anderen de video openbaar maken.
Bij niet-naleving verbeurt gedaagde een dwangsom van € 5.000,- per dag, met een maximum van € 100.000,-. Daarnaast wordt hij veroordeeld in de proceskosten van de Staat, begroot op € 1.236,16, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.