AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen phishingfraude, diefstal en poging tot oplichting via internetbankieren
De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van phishingfraude, diefstal en (poging tot) oplichting in de periode van 3 tot en met 14 februari 2014. Verdachte benaderde klanten van een bank via e-mail en telefonisch, waarbij zij zich voordeed als beveiligingsmedewerkster. Zij verleidde slachtoffers hun inlogcodes te verstrekken, die vervolgens werden gebruikt om geld van hun rekeningen over te maken naar derden.
De rechtbank oordeelde dat verdachte een belangrijke, uitvoerende rol had en dat de samenwerking met mededaders zodanig nauw en bewust was dat sprake was van medeplegen. De oplichting richtte zich op de bank zelf, niet slechts op de klanten, omdat de bank werd bewogen tot afgifte van gelden. De verdediging werd verworpen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 227 dagen op, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en gedragsinterventie. Daarnaast werd een taakstraf van 240 uur opgelegd met een vervangende hechtenis van 120 dagen. Tevens werd verdachte veroordeeld tot betaling van ruim €44.000 aan materiële schade aan de bank en €150 aan een benadeelde klant, met hoofdelijkheid tussen verdachte en mededaders.
De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten, de ondermijning van vertrouwen in het betalingsverkeer en de financiële schade en overlast voor slachtoffers. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 20 mei 2015.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 227 dagen gevangenisstraf (waarvan 180 voorwaardelijk), 240 uur taakstraf en betaling van ruim €44.000 schadevergoeding.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/810547-14
Datum uitspraak: 20 mei 2015
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Kaapverdië) op [geboortedatum],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsman mr. E. Manders, advocaat te Rotterdam.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2015.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
EIS OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. J.M. Bonnes heeft gerekwireerd tot:
- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4, telkens primair ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 226 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorwaarden van Reclassering Nederland, ook als deze voorwaarden inhouden een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling bij De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg en het volgen van de gedragsinterventie GI-RN SOLO,
- oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
BEWIJS
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de verdachte ten aanzien van alle primair ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken, nu het bewijs dat de verdachte degene is geweest die in de betreffende periode deze aangevers heeft gebeld en in nauwe en bewuste samenwerking met haar medeverdachte(n) heeft gehandeld ontbreekt.
Daarnaast is aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 en 4 ten laste gelegde, nu niet de [bank] is opgelicht, maar de klanten van de [bank].
Beoordeling
Uit de bewijsmiddelen (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) wordt vastgesteld dat de verdachte zich in de periode van 3 februari 2014 tot en met 14 februari 2014 schuldig heeft gemaakt aan phishing fraude. Zij heeft, op verzoek van een (Nigeriaanse) man die zij in het uitgangscircuit had ontmoet en Thomas noemt, klanten van de [bank] telefonisch benaderd, zich voorgedaan als beveiligingsmedewerkster van die bank en deze klanten hun inlogcodes voor internetbankieren gevraagd. Zij heeft deze codes vervolgens hardop herhaald en doorgegeven aan haar, hiervoor bedoelde, mededader - die in dezelfde ruimte zat -, waardoor deze kon inloggen op de internetbankierenaccounts van de slachtoffers en geld van hun bankrekeningen kon overboeken naar bankrekeningen van verdachtes - tot op heden onbekende - mededaders.
Aldus wordt vastgesteld dat de verdachte aan het plegen van de ten laste gelegde feiten een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd, waarbij de samenwerking tussen de verdachte en haar mededaders zodanig nauw en bewust is geweest dat van medeplegen gesproken kan worden. De verdachte had in het geheel een belangrijke, uitvoerende rol.
Daarnaast acht de rechtbank het handelen van de verdachte en haar mededaders te kwalificeren als een (poging tot) oplichting van de [bank], nu de bank en niet de klanten van de [bank] is bewogen tot afgifte van gelden (vgl. HR 19 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1525).
Het verweer wordt verworpen.
Bewijsmotivering en bewezenverklaring
Op grond van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4, telkens primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
zij in de periode van 3 februari 2014 tot en met 14 februari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens, opzettelijk en wederrechtelijk in een of meer geautomatiseerde werken voor opslag en verwerking van gegevens, te weten een webserver en een netwerk toebehorende aan [bank] is binnengedrongen, waarbij zij, verdachte en haar mededaders, toegang tot dat werk heeft verworven met hulp van valse sleutel, immers heeft verdachte en haar mededaders telkens
- E-mails verstuurd naar de E-mailadressen in gebruik bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], waarin stond vermeld dat deze hun bankaccount opnieuw moesten activeren via een link die in voornoemde E-mails stond vermeld en dat hun bankaccount niet goed beveiligd was en
- telefonisch contact opgenomen met voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6] en vervolgens zich uitgegeven als beveiligingsmedewerkster van voornoemde [bank] en vervolgens
- aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6] medegedeeld dat voornoemde [bank] bezig was met een veiligheidsonderzoek naar hun bankrekeningen en vervolgens
- aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6] gevraagd/verzocht in te loggen met behulp van hun digipas en vervolgens de serienummers en inlogcodes aan haar, verdachte en haar mededaders, door te geven en vervolgens
- met gebruikmaking met de aldus verkregen inloggegevens via internetbankieren ingelogd op de bankrekeningen van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6];
2.
zij in de periode van 3 februari 2014 tot en met 14 februari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6], waarbij verdachte en haar mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel, te weten door
telkens
- E-mails te versturen naar de E-mailadressen in gebruik bij voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], waarin stond vermeld dat deze hun bankaccount opnieuw moesten activeren via een link die in voornoemde E-mails stond vermeld en dat hun bankaccount niet goed beveiligd was en
- telefonisch contact op te nemen met voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6], en
- vervolgens zich uit te geven als beveiligingsmedewerkster van voornoemde [bank] en vervolgens
- aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6] mede te delen dat voornoemde [bank] bezig was met een veiligheidsonderzoek naar hun bankrekeningen en vervolgens
- aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6] te vragen/verzoeken in te loggen met behulp van hun digipas en vervolgens de serienummers en inlogcodes aan haar, verdachte en haar mededaders, door te geven
- waarna zij verdachte en haar mededaders geldbedragen van de bankrekeningen van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 4] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6] over hebben gemaakt naar bankrekeningen van derden en vervolgens deze geldbedragen met behulp van betaalautomaten hebben opgenomen/gepind;
3.
zij in de periode van 3 februari 2014 tot en met 14 februari 2014 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid [bank] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen hebbende verdachte en haar mededaders toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk
- E-mails gezonden naar de E-mailadressen van klanten van voornoemde [bank] te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], waarin stond vermeld dat deze hun bankaccount opnieuw moesten activeren via een link die in voornoemde E-mails stond vermeld en dat hun bankaccount niet goed beveiligd was en
- telefonisch contact opgenomen met voornoemde klant(en) van voornoemde [bank] en vervolgens zich uitgegeven als een beveiligingsmedewerkster van voornoemde [bank] en vervolgens
- aan die klant(en) van voornoemde [bank] medegedeeld dat de [bank] bezig was met een veiligheidsonderzoek en vervolgens
- aan die klant(en) van voornoemde [bank] gevraagd/verzocht in te loggen met behulp van hun digipas op hun bankrekeningen en vervolgens de serienummers en inlogcodes aan haar, verdachte en haar mededaders, door te geven en vervolgens
- voornoemde geldbedragen overgeboekt naar bankrekeningen van derden en vervolgens deze geldbedragen bij geldautomaten gepind/opgenomen,
waardoor voornoemde [bank] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
4.
zij in 3 februari 2014 tot en met 14 februari 2014 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [bank] te bewegen tot de afgifte van geldbedragen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk met haar mededaders,
- E-mails heeft verzonden naar de E-mailadressen van klanten van voornoemde [bank] te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], waarin stond vermeld:
- dat deze hun bankaccount opnieuw moesten activeren via een link die in voornoemde E-mails stond vermeld en
- dat hun bankaccount niet goed beveiligd was en
- telefonisch contact hebben opgenomen met voornoemde klant(en) van voornoemde [bank] envervolgens zich hebben uitgegeven als een beveiligingsmedewerkster van voornoemde [bank] en vervolgens
- aan die klant(en) van voornoemde [bank] hebben medegedeeld dat de [bank] bezig was met een veiligheidsonderzoek naar de bankrekeningen van voornoemde klant(en) en vervolgens
- aan die klant(en) van voornoemde [bank] hebben gevraagd/verzocht in te loggen met behulp van hun digipas op hun bankrekeningen en vervolgens de serienummers en inlogcodes aan haar, verdachte en haar mededaders, door te geven en vervolgens
- voornoemde geldbedragen hebben overgeboekt naar bankrekeningen van derden en vervolgens deze geldbedragen bij geldautomaten hebben opgenomen/gepind,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
STRAFBAARHEID FEITEN
De bewezen feiten leveren op:
1.
medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;
2.
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
3.
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
4.
medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
STRAFBAARHEID VERDACHTE
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
STRAFMOTIVERING
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een aantal weken schuldig gemaakt aan het medeplegen van phishing fraude, diefstal en (poging tot) oplichting. Zij heeft, samen met anderen, klanten van de [bank] via de e-mail benaderd met de mededeling dat hun internetbankierenaccount niet goed beveiligd was en dat deze opnieuw moest worden ingesteld. Vervolgens heeft de verdachte deze klanten van de [bank] telefonisch benaderd, waarbij zij zich voordeed als beveiligingsmedewerkster van die bank. De slachtoffers van verdachtes handelen hebben vervolgens de inlogcodes van hun internetbankierenaccount afgegeven, waarna deze gegevens zijn gebruikt om op de accounts van de slachtoffers in te loggen en geld van hun rekeningen over te maken naar rekeningen van verdachtes mededaders, die dit geld vervolgens contant hebben opgenomen. In een (klein) aantal gevallen is dit laatste bij een poging gebleven, maar dat is zeker niet de verdienste geweest van de verdachte, maar van anderen waardoor de betreffende rekeningen konden worden geblokkeerd.
De rechtbank acht het handelen van de verdachte zeer laakbaar. Door deze vorm van criminaliteit wordt het vertrouwen, dat door consumenten moet kunnen worden gesteld in het betalingsverkeer en bankwezen, ernstig ondermijnd. Wanneer dit vertrouwen niet meer aanwezig is, bestaat het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Daarnaast heeft de handelwijze van de verdachte geleid tot financiële schade en veel overlast voor de (klanten van de) [bank].
Op dergelijke feiten kan dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is gelet op het door Reclassering Nederland, over de verdachte opgemaakte rapport, gedateerd 30 april 2015. Dit rapport houdt - samenvattend en voor zover van belang - het volgende in. De verdachte laat zich makkelijk negatief beïnvloeden door vrienden. Zij heeft een beperkt en weinig ondersteunend netwerk. De verdachte heeft studiefinanciering, maar dit is onvoldoende om van te leven. Daarnaast heeft zij problematische schulden en heeft zij enig beperkingen in haar sociale-, interpersoonlijke- en coping vaardigheden. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling bij De Waag en het volgen van de gedragsinterventie GI-RN SOLO.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Het onvoorwaardelijk deel van deze straf zal gelijk zijn aan de tijd die reeds door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast zal een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, teneinde de verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van soortgelijke feiten. Voor dat doel zullen de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering in voormeld rapport.
Aangevoerd is dat uit de stukken in het dossier niet valt op te maken of [gemachtigde bank] als bestuurder dan wel als vertegenwoordiger optreedt van de rechtspersoon [bank] en of hij in laatst genoemd geval bijzonder is gemachtigd om zich namens deze rechtspersoon in het strafgeding te voegen als benadeelde partij.
Beoordeling
Vooropgesteld wordt dat noch uit de voegingsformulieren, noch uit de stukken in het dossier blijkt van een bijzondere en schriftelijke volmacht van [gemachtigde bank] om [bank] in het strafgeding te vertegenwoordigen.
Het verweer wordt echter niet opgevat als een gemotiveerde betwisting van de bevoegdheid van voornoemde persoon om voornoemde rechtspersoon te vertegenwoordigen, nu dit verweer niet enig concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van voornoemd persoon inhoudt.
In zijn arrest van 16 november 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AR3043) heeft de Hoge Raad bepaald dat een dergelijke machtiging niet noodzakelijk is indien de vestigingsmanager van de rechtspersoon optreedt namens de rechtspersoon. In het onderhavige geval is het voegingsformulier opgesteld en ondertekend door [gemachtigde bank], senior adviseur veiligheidszaken, de functionaris die ook aangifte heeft gedaan namens de benadeelde partij. Gelet hierop is de in art. 51c lid 2 Sv bedoelde bijzondere en schriftelijke volmacht ook in de onderhavige situatie niet vereist. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.
Benadeelde partij [bank]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [bank], gevestigd te Utrecht, ter zake van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 65.041,40 aan materiële schade.
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht.
De benadeelde partij heeft in haar vordering met betrekking tot de daadwerkelijk geleden schade verwezen naar de zich in het dossier bevindende excelsheet, waarop de schade per klant van de [bank] staat aangeven. Vastgesteld wordt dat een (groot) aantal van deze klanten niet wordt genoemd in de tenlastelegging en de schade met betrekking tot die klanten derhalve niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Volgens de excelsheet heeft de [bank] ten aanzien van de aangevers in de tenlastelegging genoemd de volgende schade geleden:
Derhalve zal een bedrag van € 43.409,53, met daarbij opgeteld de opgevoerde onderzoekskosten à € 750,-- worden toegewezen. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 44.159,53.De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de verdachte de strafbare feiten samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
Benadeelde partij [slachtoffer 5]
Als benadeelde partij heeft zich voorts in het geding gevoegd: [slachtoffer 5], wonende te De Wijk, ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 150,-- aan materiële schade.
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen.
Nu de verdachte het strafbare feit samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 57, 138ab, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4, telkens primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 227 (tweehonderdzevenentwintig) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;
stelt als algemene voorwaarden:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
stelt als bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;
- de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen bij De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering en zal zich houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;
- de veroordeelde zal deelnemen aan de gedragsinterventie GI-RN SOLO;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
wijst de vordering van de benadeelde partij [bank], gevestigd te Utrechttoe tot een bedrag van € 44.159,53en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover haar mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [bank] te betalen € 44.159,53;
beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 44.159,53 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 255 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te De Wijktoe tot een bedrag van € 150,--en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover haar mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] te betalen € 150,--;
beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van
€ 150,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.K. Rapmund, voorzitter,
en mrs. C.A. van Beuningen en E. Fels, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 mei 2015.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I bij vonnis van 20 mei 2015.
TEKST TENLASTELEGGING
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
zij in of omstreeks de periode van 3 februari 2014 tot en met 14 februari 2014
te Eelde en/of Maastricht en/of Appingedam en/of Winterswijk en/of De Wijk