Artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen verstrekken die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (Wko) is de hoogte van de kinderopvangtoeslag mede afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar, de voor die kinderopvang te betalen prijs en de soort kinderopvang. Volgens vaste jurisprudentie volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft moet maken en wat de hoogte daarvan is geweest. Geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Uit vaste jurisprudentie volgt ook dat in geval van het contant betalen van de gastouder het enkel overleggen van kwitanties van betalingen onvoldoende is om aan te tonen dat de kosten daadwerkelijk zijn voldaan.
Eiseres stelt dat zij in 2008 maandelijks een bedrag van € 61,- aan de gastouder heeft betaald. Dit zou betekenen dat zij (12 x € 61,- =) € 732,- aan de gastouder zou hebben betaald. Eiseres heeft bankafschriften van de maanden februari, maart, april, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december 2008 en januari 2009, overgelegd. Hieruit volgt dat eiseres maandelijks een bedrag van € 50,- en eenmaal - in juli 2008 - een bedrag van € 70,- van haar bankrekening heeft opgenomen. De hoogte van deze bedragen komt niet overeen met de hoogte van het bedrag van € 61,- dat volgens de overgelegde kwitanties aan de gastouder zou zijn betaald. Eiseres stelt dat zij de overige € 11,- er “steeds bij deed”. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd. Bovendien geldt dat indien al zou moeten worden geoordeeld dat eiseres in 2008 een bedrag van € 732,- aan opvangkosten heeft betaald, zulks niet leidt tot het oordeel dat eiseres daarmee daadwerkelijk het volledige bedrag aan opvangkosten heeft voldaan. Bij besluit van 20 november 2008 is eiseres een voorschotbedrag van € 4.775,- toegekend. Dit betekent dat het deel van de kosten dat eiseres zelf diende te voldoen en aan verweerder dient te verantwoorden, € 1.081,- (€ 5.856,- minus € 4.775,-) bedraagt. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij dit bedrag heeft betaald.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd dat ook de bureaukosten ter hoogte van € 931,- voor rekening van eiseres zijn gekomen. Eiseres heeft dit evenwel niet deugdelijk onderbouwd. Bovendien heeft zij zelf ter zitting verklaard dat zij alleen haar eigen bijdrage van € 61,- per maand heeft voldaan.