De werkneemster was sinds 1978 in dienst bij Louers B.V. en werd ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. Het UWV verleende uiteindelijk toestemming voor het ontslag, maar oordeelde aanvankelijk dat onvoldoende concrete herplaatsingsinspanningen waren verricht. De werkneemster had medische beperkingen en beperkte arbeidsmarktkansen, mede door haar leeftijd en eenzijdige scholing.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege de ernstige gevolgen voor de werkneemster in verhouding tot het bedrijfseconomisch belang van de werkgever. Louers had onvoldoende voortvarendheid betracht in het re-integratietraject en het outplacementtraject werd laat en onvoldoende duidelijk ingezet.
De werkneemster vorderde een schadevergoeding van ruim €44.000, maar de rechter begrootte deze naar billijkheid op €10.000, mede vanwege onvoldoende onderbouwing van de schade en de verbeterde financiële situatie van Louers. Tevens werden vakantiedagen, incassokosten en een getuigschrift toegewezen. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.