ECLI:NL:RBROT:2015:3854

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2015
Publicatiedatum
2 juni 2015
Zaaknummer
ROT 14-6794
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
  • M.A. Voskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:80a AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 4 WwbArt. 31 Wwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over recht op bijstand na overlegging aanvullende bankafschriften

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder, die door verweerder is afgewezen wegens het niet overleggen van volledige bankafschriften. Verweerder handhaafde dit besluit in bezwaar, waarna eiseres beroep instelde. Tijdens de procedure bleek dat eiseres inmiddels alle gevraagde stukken had ingediend, waardoor het recht op bijstand alsnog kan worden vastgesteld.

Een geschilpunt betrof de middelen op een jongerenrekening van de minderjarige dochter van eiseres, waarvan eiseres stelde dat zij geen beschikking had over deze rekening. De rechtbank oordeelde dat, aangezien de dochter op de hoogte was van de rekening en de middelen daarop, deze bij de beoordeling van het recht op bijstand moeten worden betrokken volgens de wettelijke definitie van het gezin en de middelen waarover het gezin beschikt.

De rechtbank gelast verweerder een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag binnen drie weken, waarbij rekening wordt gehouden met alle middelen, waaronder de jongerenrekening. Verdere beslissingen worden aangehouden tot de einduitspraak. Tegen deze tussenuitspraak is nog geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Verweerder wordt opgedragen binnen drie weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij alle middelen worden betrokken.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 14/6794
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 3 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. H.H. Veurtjes,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. J.A. Karreman.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 23 mei 2014 (het primaire besluit 1) de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.
Bij besluit van eveneens 23 mei 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder een bedrag van € 900,- dat als voorschot was verstrekt, van eiseres teruggevorderd.
Verweerder heeft bij besluit van 1 oktober 2014 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij uitspraak van 1 december 2014 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening van eiseres afgewezen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door J. van der Eijk-Van Splunter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot Participatiewet. Uit het daarbij gegeven overgangsrecht volgt dat dit geding wordt beoordeeld naar het voor die datum geldende recht.
2. Eiseres heeft op 11 maart 2014 een aanvraag ingediend voor een Wwb-uitkering voor een alleenstaande ouder. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres onvolledige inlichtingen heeft verstrekt en het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres, ook in bezwaar, niet de ontbrekende afschriften van haar bankrekening [bankrekening 1] heeft overgelegd.
In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat ook van de rekeningen [bankrekening 2] en [bankrekening 3] niet alle afschriften zijn overgelegd.
4. Ter beoordeling staat ten eerste of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat niet kan worden vastgesteld of eiseres recht heeft op bijstand.
5. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiseres met de nadere stukken, ook de stukken die bij het verzoek om voorlopige voorziening en in beroep zijn ingediend, alle gevraagde rekeningafschriften heeft overgelegd, en dat met deze stukken het recht op bijstand van eiseres kan worden vastgesteld.
Als ondanks schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand in de loop van de beroepsprocedure aan de hand van nader verkregen informatie alsnog kan worden vastgesteld, moet daartoe worden overgegaan en is er geen plaats meer voor het oordeel dat de aanvraag om bijstand moet worden afgewezen op de grond dat het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht niet kan worden vastgesteld (ECLI:NL:CRVB:2012:BX2435). Verweerder dient dus alsnog inhoudelijk op de aanvraag van eiseres te beslissen.
6. Ter zitting bleek dat in geschil is of bij de bijstandsverlening aan eiseres rekening gehouden moet worden met stortingen op rekening [bankrekening 2] . Dit betreft een ING Jongerenrekening ten name van de dochter van eiseres. Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen bemoeienis had met deze rekening en dat deze is geopend door haar ex-partner, de vader van haar dochter. Eiseres stelt niet de beschikking te hebben gehad over het bankpasje van deze rekening en stelt dat zij niet over het geld op deze rekening kon beschikken.
6.1
De rechtbank overweegt dat eiseres op grond van artikel 4, eerste lid, onder b en c, van de Wwb, voor de vaststelling van het recht op bijstand wordt aangemerkt als gezin. Volgens de memorie van toelichting bij artikel 31 van Pro de Wwb (TK 2002-2003, 28870, nr. 3, p. 56-58) moeten in het geval de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt, de middelen van alle gezinsleden in aanmerking worden genomen.
6.2
Uit de stukken blijkt dat de afschriften van rekening [bankrekening 2] niet naar het woonadres van eiseres zijn gestuurd. Bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening is echter gebleken dat in ieder geval de dochter van eiseres al sinds februari 2014 op de hoogte was van het bestaan van deze rekening. Deze wetenschap kan ook eiseres worden aangerekend. Het betoog dat de rekening haar onbekend was, leidt daarom niet tot de conclusie dat bij bijstandsverlening aan eiseres het bestaan van deze rekening buiten beschouwing kan worden gelaten.
6.3
Op rekening [bankrekening 2] zijn diverse bedragen gestort. Eiseres betoogt dat de aard van deze bedragen zodanig is dat het niet mogelijk is dat de dochter van eiseres, die minderjarig is, met deze middelen in relatie kan worden gebracht. Eiseres wijst met name op een overboeking met betrekking tot autoverhuur.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wwb, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit betreft in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen (ECLI:NL:CRVB:2014:705 en ECLI:NL:CRVB:2014:719). De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat dit ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De rechtbank ziet geen aanleiding bepaalde stortingen van rekening [bankrekening 2] hiervan uit te zonderen. Verweerder heeft zich ter zitting dan ook terecht op het standpunt gesteld dat bij het vaststellen van het recht op bijstand van eiseres rekening moet worden gehouden met de stortingen die op deze rekening zijn gedaan.
7. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van eiseres, onder verrekening van de middelen van eiseres (waaronder de stortingen op rekening [bankrekening 2] ). De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid stellen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar op drie weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel van deze gelegenheid gebruik maakt, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen drie weken hierop te reageren. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • stelt verweerder in de gelegenheid om binnen drie weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak,
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Voskamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Kara, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.
De griffier is verhinderd deze rechter
uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.