De minister van Defensie heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om verlenging van de termijn van zes weken, gesteld in een eerdere uitspraak, om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze termijn liep tot 12 juni 2015. De minister voerde aan dat het complexe proces van de benodigde weging door de AIVD niet binnen deze termijn kon worden afgerond.
Verweerder betwistte de onmogelijkheid en stelde dat de minister geen bewijsstukken had overgelegd waaruit blijkt dat de AIVD was ingeschakeld voor de vereiste weging. Uit eerdere procedures bleek dat de weging niet had plaatsgevonden, ondanks dat de minister daartoe in de gelegenheid was gesteld.
De rechtbank oordeelde dat de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen moet worden beoordeeld aan de hand van feiten na de hoofdveroordeling en dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om aan de veroordeling te voldoen. Het verzoek tot verlenging werd daarom afgewezen en de minister werd veroordeeld in de proceskosten.