Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 21 januari 2015
- het proces-verbaal van comparitie van 12 mei 2015.
Rechtbank Rotterdam
Eiser heeft vanaf 2008 meerdere geldbedragen aan gedaagde, zijn schoonvader, geleend vanwege diens financiële problemen. Partijen sloten in 2009 en 2011 schriftelijke geldleningsovereenkomsten met afspraken over aflossing in maandelijkse termijnen van € 250.
Eiser vordert betaling van het volledige geleende bedrag van € 30.932,50, vermeerderd met 6% rente vanaf juli 2013, en stelt dat dit bedrag direct opeisbaar is. Gedaagde betwist de onmiddellijke opeisbaarheid en beroept zich op redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank oordeelt dat niet vaststaat dat partijen een termijn voor opeisbaarheid hebben overeengekomen. Gezien de omstandigheden en de relatie tussen partijen, wordt uitstel verleend voor een deel van de betaling. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 7.250 ineens en maandelijkse termijnen van € 250 vanaf 1 juli 2015. De rentevordering en het verzoek om opgave van inkomsten worden afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 7.250 ineens en maandelijkse termijnen van € 250 vanaf 1 juli 2015, overige vorderingen worden afgewezen.