Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
beschikking ondertoezichtstelling
in de zaak van
[Naam moeder], hierna te noemen de moeder,
[Naam vader], hierna te noemen de vader.
Het procesverloop
Het verzoek
De beoordeling
De beslissing
Den Haag.
Rechtbank Rotterdam
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Rotterdam om een ondertoezichtstelling van een minderjarige, omdat de ouders door de gemeente niet in staat werden gesteld de benodigde gesloten jeugdhulp te accepteren die de bedreigingen in de ontwikkeling van het kind zou wegnemen.
De Raad handhaafde het verzoek tot ondertoezichtstelling, tenzij de rechtbank oordeelde dat een machtiging gesloten jeugdhulp zonder ondertoezichtstelling mogelijk was, in welk geval het verzoek zou worden ingetrokken. Namens de minderjarige werd gesteld dat de Raad ontvankelijk was in beide verzoeken en dat het afwijzen van ondertoezichtstelling en toewijzen van gesloten jeugdhulp geen bezwaar opleverde.
De rechtbank verleende eerder een machtiging gesloten jeugdhulp tot 11 juli 2015 en stelde de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling aan. Op basis van de stukken en zitting concludeerde de kinderrechter dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling ontbraken, aangezien de ouders bereid en in staat waren met passende hulp de bedreigingen in de ontwikkeling van het kind weg te nemen en zij zeer betrokken waren.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot ondertoezichtstelling af, terwijl de machtiging gesloten jeugdhulp gehandhaafd bleef. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden door belanghebbenden via het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens het ontbreken van de wettelijke gronden.