Opposante heeft verzet aangetekend tegen haar faillietverklaring van 28 april 2015, stellende dat zij betalingsregelingen heeft getroffen met schuldeisers en bezig is met schuldhulpverlening. Tijdens de zitting van 19 mei 2015 zijn de standpunten van partijen besproken, waarbij opposante de hoogte van een loonvordering betwistte maar niet de vordering van een andere schuldeiser.
De curator heeft verklaard dat er nog aanzienlijke schulden openstaan, waaronder vorderingen van concurrente crediteuren en vouchers van klanten die nog niet zijn ingediend. Tevens ontbrak een plan van aanpak van opposante om alle schuldeisers te betalen. De rechtbank constateert dat opposante geen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend en dat het schuldhulpverleningstraject nog niet is gestart.
Gelet op deze feiten concludeert de rechtbank dat opposante nog steeds verkeert in de toestand van opgehouden te betalen en dat het faillissement daarom in stand moet blijven. Het verzet wordt ongegrond verklaard en het vonnis van 28 april 2015 wordt bekrachtigd.