ECLI:NL:RBROT:2015:5146

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
16 juli 2015
Zaaknummer
ROT 15-3628
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 4 aanhef en onder a sub i Richtlijn 97/78/EGArt. 2 Warenwetregeling Veterinaire controlesArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen weigering invoer rundvlees wegens zegelmanipulatie

De rechtbank Rotterdam heeft op 30 juni 2015 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening tegen een besluit van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om de invoer van een partij rundvlees uit de Verenigde Staten te weigeren vanwege manipulatie van het zegel op de container.

Verweerder baseerde het besluit op artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a sub i, van Richtlijn 97/78/EG en de Warenwetregeling Veterinaire controles, stellende dat bij verbreking van het zegel geen overeenstemming meer bestaat tussen het zegel en het veterinaire certificaat. Verzoekers betoogden dat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat en dat een materiële controle onterecht werd geweigerd.

De rechtbank oordeelde dat verweerder zijn bevoegdheid niet kan baseren op het genoemde artikel van de Richtlijn, omdat geen communautair voorschrift bestaat dat een verzegelingsvereiste oplegt. Ook bleek dat een materiële controle bij terugzending had plaatsgevonden waaruit geen onregelmatigheden naar voren kwamen.

Daarom is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2 van Pro de Warenwetregeling. De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het besluit en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit tot weigering van invoer wordt geschorst.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 15/3628
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster 1]te [plaats 1] , verzoekster 1,
[verzoekster 2], te [plaats 2] , verzoekster 2,
hierna tezamen aangeduid als verzoekers,
gemachtigde verzoekers: mr. ing. B.J.B. Boersma,
en

de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W.R. Markhorst.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 30 juni 2015 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekers;
  • bepaalt dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 331,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan verzoekers.

Overwegingen

1.1.
Bij besluit van 11 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder vanwege redenen van volksgezondheid de invoer geweigerd van een partij rundvlees uit de Verenigde Staten van Amerika (VS). Daarbij is aangegeven dat de termijn waarbinnen de gelegenheid bestaat om de partij rechtstreeks over zee/via lucht naar een derde land te vervoeren 60 dagen na de dagtekening van het besluit is en dat na afloop van deze termijn de partij vernietigd zal worden.
1.2.
Aan dit besluit ligt ten grondslag dat bij inspectie bleek dat het zegel van de container waarin de partij rundvlees zich bevond, was gemanipuleerd.
2. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het bestreden besluit is gebaseerd op het bepaalde in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a sub i, van Richtlijn 97/78/EG van de Raad, in samenhang met artikel 2 van Pro de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen), waarbij ervan moet worden uitgegaan dat bij verbreking van een aangebracht zegel niet langer sprake is van overeenstemming tussen het zegel en (het nummer van) het begeleidende veterinaire certificaat. Daarnaast stelt verweerder dat zelfstandige betekenis toekomt aan plaatsing van het zegel op de container door de certificerend ambtenaar in de VS, omdat waarde toekomt aan diens inschatting van het risico van het product voor de volksgezondheid.
3. Verzoekers stellen - kort weergegeven - dat er geen wettelijke grondslag is voor het besluit en dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om een overeenstemmingscontrole en een materiële controle uit te voeren.
4. Op grond van artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a sub i, van de Richtlijn verricht de officiële dierenarts, met uitzondering van de in de artikelen 9 tot en met 15 bedoelde specifieke gevallen, een overeenstemmingscontrole van iedere partij om zich ervan te vergewissen dat de producten in overeenstemming zijn met de gegevens die zijn vermeld in de certificaten of documenten waarvan de partij vergezeld gaat. Enkele uitzonderingen daargelaten omvat deze controle: “wanneer de producten van dierlijke oorsprong in containers aankomen, controle of de verzegeling die de officiële dierenarts (of de bevoegde autoriteit) heeft aangebracht, indien de communautaire wetgeving zulks voorschrijft, intact is en of de daarop vermelde gegevens overeenstemmen met de gegevens op het begeleidend document of certificaat.”
5. Van het bestaan van een in deze bepaling bedoeld communautair voorschrift is niet gebleken. Verweerder kan zijn bevoegdheid tot weigering van de invoer dus niet baseren op artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a sub i, van de Richtlijn. Ook is niet gebleken dat de VS en de Europese Unie een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in - kortweg - een verzegelingsvereiste. Dat aan verzegeling door de certificerend ambtenaar in de VS waarde kan toekomen kan aan verweerder worden toegegeven, maar dit brengt nog niet met zich dat bij manipulatie van het zegel invoer dus geweigerd moet worden en iedere controle achterwege mag blijven.
6. Ter zitting is gebleken dat in het kader van de terugzending van de partij door verweerder een controle heeft plaatsgevonden die gelijkgesteld kan worden met een materiële controle bij invoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn. De bij de controle betrokken officiële dierenarts, dr. G. Reinholtz, heeft verklaard dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de producten in de partij niet voldoen aan de eisen van communautaire wetgeving en niet geschikt zouden zijn om te worden gebruikt voor de in het begeleidend certificaat aangegeven doeleinden.
Nu een wettelijke grond voor verweerders bevoegdheid om de invoer te weigeren ontbreekt, waardoor het bestreden besluit in strijd komt met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 2 van Pro de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen), terwijl er geen gerede aanleiding meer is voor twijfel aan de juistheid, inhoud en veiligheid van de partij, is er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder dient aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht en de proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.