De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen vanwege wisselende verblijfplaatsen, schoolverzuim en gedragsproblemen. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en woont met de kinderen samen. Hoewel de moeder inmiddels actief meewerkt met de hulpverlening en een goede relatie heeft met de hulpverlener van de gecertificeerde instelling, zijn er zorgen over de ontwikkeling van de kinderen.
De Raad en de gecertificeerde instelling benadrukken dat zonder ondertoezichtstelling de huidige hulpverlening niet kan worden voortgezet, omdat de hulpverlener anders uit het drang-kader gehaald wordt. De moeder verzet zich tegen de ondertoezichtstelling, maar is bereid mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek indien dit goed wordt toegelicht.
De kinderrechter concludeert dat ondanks de positieve ontwikkelingen en medewerking van de moeder, de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de hulpverlening te waarborgen en de belangen van de kinderen te beschermen. De kinderen worden daarom voor twaalf maanden onder toezicht gesteld van de William Schrikker Jeugdbescherming.