Verzoeker heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning te schorsen. De rechtbank beoordeelde of sprake was van een bedreigende situatie en of het belang van verzoeker zwaarder woog dan dat van verweerster.
Verweerster stelde dat verzoeker een aanzienlijke huurachterstand had en geen vertrouwen bestond in een goede afloop van het minnelijk traject. Verzoeker toonde aan dat hij zich had aangemeld bij schuldhulpverlening, dat een minnelijke regeling was opgestart en dat hij vanaf augustus een fulltime baan had, waarmee hij de huur kon voldoen.
De rechtbank achtte de situatie voldoende stabiel en vond dat het belang van verzoeker, het kunnen doorlopen van schuldhulpverlening en het blijven wonen in de woning, zwaarder woog dan het belang van verweerster. Daarom werd een moratorium van vier maanden toegekend met de voorwaarde dat lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen na afloop van het moratorium.