Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[gedaagde2],
1.De procedure
2.Het geschil
3.De beoordeling
Dit type prothesen heeft een CE-markering in verband met de toelating op de Europese markt.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een patiënt die in 2004 metaal-op-metaal (MoM) heupprothesen van Biomet kreeg geplaatst door een orthopedisch chirurg van het ziekenhuis. Na klachten en verhoogde chroom- en kobaltwaarden volgde in 2013 een revisie-operatie. De patiënt vordert schadevergoeding van de arts en het ziekenhuis wegens een niet verdedigbare keuze voor MoM-prothesen en onvoldoende voorlichting.
De rechtbank stelt vast dat de arts in 2004 niet wist of behoorde te weten van de risico's verbonden aan MoM-prothesen. De stellingen over ongeschiktheid van de prothesen zijn niet bewezen en de aansprakelijkheid van de producent wordt in deze procedure niet beoordeeld. De rechtbank overweegt dat het niet redelijk is de tekortkoming de arts toe te rekenen op grond van artikel 6:77 BW Pro, mede vanwege het ontbreken van wetenschap en het feit dat de patiënt zich kan verhalen op de producent.
Ook het verwijt van onvoldoende informatie vooraf wordt verworpen omdat de arts geen wetenschap had van de risico's. Klachten na 2007 en de handelwijze daarna leiden eveneens niet tot aansprakelijkheid. De vorderingen worden afgewezen en de patiënt wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten.