ECLI:NL:RBROT:2015:6803
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering afgewezen wegens verjaring kennelijk onredelijk ontslag
Eiser was sinds 1 januari 2000 in dienst bij Mas Architectuur B.V. en werd op 1 november 2012 ontslagen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden met toestemming van het UWV. Eiser stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en vorderde een schadevergoeding van ruim €277.000.
De kantonrechter beoordeelde of de vordering van eiser niet was verjaard. De verjaringstermijn van zes maanden vangt aan op de dag na het ontslag. Eiser had op 2 april 2013 een brief gestuurd die de verjaring tijdig stuitte, en op 30 augustus 2013 een tweede stuitingsbrief. Echter betwist Mas ontvangst van latere brieven van 2 april 2014 en 17 september 2014, die niet aangetekend waren verzonden.
Eiser kon onvoldoende bewijzen dat deze latere brieven Mas hadden bereikt. Hierdoor was de verjaring na 31 augustus 2013 niet tijdig gestuit en was de vordering verjaard. De kantonrechter kon daardoor niet inhoudelijk op de vordering ingaan en wees deze af. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag is afgewezen wegens verjaring.