De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor de overstap van haar minderjarige dochter naar een andere basisschool. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en zijn gescheiden. De vrouw stelde dat de nieuwe school beter aansluit bij de behoeften van de dochter, onder meer vanwege haar gevoeligheid voor externe prikkels en de geboden structuur en rust. De man verzette zich gemotiveerd tegen de schoolwisseling, onder meer omdat de huidige school een vertrouwde omgeving is en er al ondersteuning wordt geboden.
De rechtbank oordeelde dat de vrouw haar verzoek onvoldoende had onderbouwd met feiten en omstandigheden, zoals schoolrapporten of verslagen van interne begeleiders. Hierdoor was niet komen vast te staan dat de schoolwisseling in het belang van de dochter was. De rechtbank wees het verzoek af, maar erkende dat vertrouwen in een school deels een gevoelskwestie is en gaf partijen in overweging de schoolkeuze in het mediationtraject te bespreken.
Daarnaast verzocht de man om uitbreiding van de zorgregeling, hetgeen onderwerp van mediation is en waarvoor de rechtbank de beslissing aanhield tot 1 december 2015. Het vonnis werd op 11 september 2015 uitgesproken door rechter M. Fiege.