ECLI:NL:RBROT:2015:7177

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 september 2015
Publicatiedatum
8 oktober 2015
Zaaknummer
C/10/480580 / KG ZA 15-790
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag op woning ex-echtgenote in kort geding

Eiseres sub 1 en gedaagde hadden een affectieve relatie die in 2011 werd verbroken. Eiseres sub 1 en eiser sub 2 zijn in 2014 gehuwd en kochten in 2015 een woning. Gedaagde legde in juni 2015 conservatoir beslag op deze woning en later op het loon van eiser sub 2 vanwege een vordering van € 25.000 die eiseres sub 1 aan gedaagde moest voldoen.

Eisers vorderden in kort geding opheffing van het beslag op de woning, onder meer omdat het beslag als pressiemiddel wordt gebruikt terwijl de hypotheekhouder het bedrag zal verhalen. Gedaagde voerde verweer en vorderde in reconventie inzage in financiële stukken van eisers.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het beslag op de woning geen redelijk belang dient en dat het beslag op het loon voldoende is om de vordering te innen. Er was geen sprake van misbruik van bevoegdheid, maar het voortduren van het beslag op de woning was onevenredig. Daarom werd het beslag op de woning opgeheven en gedaagde veroordeeld tot doorhaling binnen drie dagen, met een dwangsom bij niet-naleving. De vordering tot verbod op nieuw beslag werd afgewezen. De proceskosten werden grotendeels aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: Het conservatoir beslag op de woning wordt opgeheven en gedaagde wordt veroordeeld tot doorhaling binnen drie dagen onder dwangsom.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/480580 / KG ZA 15-790
Vonnis in kort geding van 25 september 2015
in de zaak van

1.[eiseres1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[eiser2],
wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. M.M.E. Bowmer te Dordrecht,
tegen
ROELAND LEON WILLIBRORDUS MARIA [gedaagde],
wonende te [woonplaats2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. D.E. Lof te Nieuw-Vennep.
Eisers in conventie zullen hierna gezamenlijk [eisers] en afzonderlijk eiseres sub 1 en eiser sub 2 genoemd worden. Gedaagde in conventie zal [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding d.d. 11 augustus 2015 met producties 1 tot en met 8
  • het verweerschrift met producties tevens houdende eis in reconventie van [gedaagde]
  • de mondelinge behandeling d.d. 21 augustus 2015
  • de pleitnota van [eisers]
  • de brief van de zijde van [eisers] d.d. 10 september 2015 met 4 bijlagen
  • de brief van de zijde van [gedaagde] d.d. 11 september 2015 met 1 bijlage.
1.2.
Partijen hebben ter zitting verzocht de procedure aan te houden tot 11 september 2015. Vervolgens is op verzoek van [eisers] vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Eiseres sub 1 en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad, waarbij zij gedurende enige jaren met elkaar hebben samengewoond. In 2011 is deze relatie verbroken en is eiseres sub 1 met de uit deze relatie geboren kinderen elders gaan wonen.
2.2.
In 2014 zijn eiseres sub 1 en eiser sub 2 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.
2.3.
Bij vonnis van de kantonrechter te Leiden d.d. 29 oktober 2014 is eiseres sub 1
veroordeeld om een bedrag van € 25.000,00 aan [gedaagde] te voldoen.
2.4.
[eisers] heeft op 31 maart 2015 een woning aan het adres [adres] , gekocht voor een bedrag van € 265.500,00 (hierna: “de woning”).
2.5.
Op 17 juni 2015 heeft [gedaagde] ten laste van eiseres sub 1 beslag doen leggen op de woning. De beslaglegging is vervolgens op 22 juni 2015 tijdig aan [eisers] overbetekend.
2.6.
Op 15 juli 2015 heeft [gedaagde] beslag doen leggen op het loon van eiser sub 2. Na aanpassing van de beslagvrije voet wordt daarop maandelijks, met uitzondering van de maand mei, een bedrag van € 722,16 ingehouden. Eerder is onder meer beslag gelegd onder ING Bank en, tot twee maal toe, onder Rabobank Groene Hart.
2.7.
Op 9 september 2015 bedroeg de uitstaande vordering in hoofdsom € 17.361,77.

3.Het geschil in conventie

3.1.
[eisers] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
het op 17 juni 2015 op de woning gelegde executoriale beslag op te heffen;
[gedaagde] te bevelen om binnen één dag na het wijzen van dit vonnis al het nodige te doen om het beslag door te halen, op straffe van een dwangsom van € 1,000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;
[gedaagde] te verbieden om opnieuw beslag te leggen op de woning, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;
[gedaagde] te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure, althans (subsidiar) conform het liquidatietarief.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.Het geschil in reconventie

4.1.
[gedaagde] vordert samengevat - [eisers] te veroordelen de volgende financiële stukken over te leggen:
  • Aangifte inkomstenbelasting van [eisers] over de jaren 2013 en 2014;
  • Jaaropgave 2014 van [eisers]
  • Recente loonstroken en/of uitkeringsspecificaties
  • Volledige hypotheekofferte van Obvion hypotheken
  • Overzicht woonlasten.
4.2.
[eisers] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling in conventie

5.1.
Hoewel niet is gebleken dat [gedaagde] executie van de woning heeft aangezegd, en evenmin dat de hypotheekhouder op dat punt enige stappen heeft ondernomen, levert een executoriaal beslag in beginsel een spoedeisend belang op. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een beslag van welke aard dan ook krachtens door een hypotheekbank gehanteerde algemene voorwaarden reden is, althans kan zijn, om de lening op te zeggen en volledige betaling van de hypotheekschuld op te eisen, waarna veelal snel een executieveiling volgt. Daarbij wordt in dit geval voorts nog meegewogen dat de woning geheel is aangepast ten behoeve van het meervoudig gehandicapte kind van eiseres sub 1 en [gedaagde] en [eisers] heeft onbetwist gesteld dat het niet eenvoudig zal zijn om bij eventuele executoriale verkoop een andere passende woning te vinden.
5.2.
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
5.3.
Gesteld noch gebleken is dat in casu sprake is van een juridische of feitelijke misslag, dan wel dat door de executie van het vonnis een noodtoestand aan de zijde van [eisers] zal ontstaan. Ter zitting heeft eiseres sub 1 nog wel aangevoerd dat het vonnis dat geëxecuteerd wordt, een aantal onjuiste uitgangspunten hanteert. De voorzieningenrechter gaat daaraan voorbij nu die punten niet nader zijn benoemd, eiseres sub 1 in de procedure die tot het vonnis heeft geleid met een advocaat verschenen is, en er blijkbaar om haar moverende redenen voor heeft gekozen om geen beroep tegen het vonnis in te stellen.
5.4.
[eisers] heeft een beroep gedaan op artikel 3:13 lid 2 BW Pro, te weten misbruik van (executie)bevoegdheid. Van een dergelijk misbruik kan sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Dat hiervan in deze sprake is, is onvoldoende gebleken.
5.5.
Ook kan volgens het genoemde artikellid van misbruik van bevoegdheid sprake zijn, indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen. Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval sprake, en wel op grond van het hierna volgende.
5.5.1.
[gedaagde] heeft, gezien de onvoldoende betwiste stellingen van [eisers] dienaangaande, geen zicht op voldoening van zijn vordering bij executoriale verkoop van de woning. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de woning recent is aangekocht, zodat niet te verwachten valt dat er al (veel) op de hypotheekschuld afgelost zal zijn en evenmin dat er (al) veel overwaarde op zit. Te verwachten valt dan ook dat een eventuele opbrengst volledig naar de hypotheekhouder zal gaan. Hierbij is van belang dat beslag dient tot verhaal op het beslagen vermogen en niet - bijzondere omstandigheden daargelaten - om de beslagene op oneigenlijke wijze in een dwangpositie te brengen en zodoende het beslag enkel als pressiemiddel te gebruiken om alsnog een deel van de vordering voldaan te krijgen. Het komt de voorzieningenrechter voor dat het laten voortduren van het beslag door [gedaagde] enkel wordt gebruikt als pressiemiddel en mogelijk zelfs als middel om [eisers] in de problemen te brengen ten aanzien van de bank die de lening onder hypothecair verband met [eisers] is aangegaan. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is overigens niet gebleken.
5.5.2.
Van belang is verder dat [gedaagde] inmiddels beslag heeft laten leggen op het loon van eiser sub 2, waardoor maandelijks gelden worden geïnd door [gedaagde] . Hierdoor zal de vordering van [gedaagde] binnen een redelijke termijn worden voldaan.
5.5.3.
Ten slotte heeft eiseres sub 1 al in 2014 een aanbod gedaan om over te gaan tot verrekening van de desbetreffende vordering met de door [gedaagde] verschuldigde alimentatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] geen enkel in rechte te respecteren belang heeft aangevoerd om die verrekening te weigeren. Integendeel, door in te stemmen met die verrekening zal [gedaagde] alleen maar sneller zijn voldaan.
5.6.
Al met al is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde] , het onder 5.5. overwogene in aanmerking nemend, in redelijkheid in ieder geval niet tot handhaving van het beslag op de woning had kunnen komen.
5.7.
De voorzieningenrechter zal het executoriale beslag zelf opheffen. [gedaagde] zal, op straffe van een dwangsom, zorg dienen te dragen voor doorhaling van dat beslag. Daartoe zal hem een iets ruimere termijn dan gevorderd worden gegund.
De vordering om [gedaagde] te verbieden opnieuw beslag te leggen op de woning wordt afgewezen. Ten eerste omvat de vordering alle soorten beslag en daarnaast valt niet uit te sluiten dat er in de toekomst, op grond van gewijzigde feiten en/of omstandigheden, reden kan bestaan om over te gaan tot het doen leggen van conservatoir dan wel executoriaal beslag.
5.8.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden om af te zien van het gebruik om de proceskosten tussen ex-partners te compenseren.
Aansluiting wordt gezocht bij het liquidatietarief, nu de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet voor vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten.
De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 96,16
- griffierecht 285,00
- salaris advocaat
816,00
Totaal € 1.197,16

6.De beoordeling in reconventie

6.1.
[gedaagde] heeft zijn vordering tot overlegging van de door hem genoemde financiële stukken niet voorzien van een juridische grondslag. Hij heeft niet gesteld op welke grond [eisers] gehouden kan worden deze stukken aan hem over te leggen. Daarbij komt dat uit de stukken volgt dat de deurwaarder reeds een verhaalsonderzoek naar inkomsten heeft verricht. Niet valt in te zien waarom [eisers] , ondanks dit onderzoek, nog stukken aan [gedaagde] persoonlijk zou moeten overleggen.
6.2.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [eisers] begroot op € 408,00 aan salaris advocaat.

7.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
7.1.
heft het op 17 juni 2015 door [gedaagde] gelegde beslag op de woning aan het adres [adres] op,
7.2.
beveelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis al het nodige te doen om het beslag op de woning te doen doorhalen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat hij daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 5.000,00,
7.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.197,16, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.4.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
7.6.
wijst de vordering af,
7.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 408,00.
7.8.
verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2015.2026/2009